donderdag 29 januari 2026

Afgestoft: Ik ben een bijl (Erik-Jan Harmens)

Bij het rommelen in de besprekingen die ik ooit geschreven heb, kom ik ook wel eens stukken tegen waarvan ik helemaal niet meer wist dat die ooit uit mijn toetsenbord zijn gekomen. Een daarvan is de recensie van de bloemlezing Ik ben een bijl van Erik Jan Harmens. De bespreking verscheen in Liter, jaargang 13, nr. 57 (2010). 

De bloemlezing staat nog in mijn kast en pas bladerde ik er nog doorheen. De bundel heeft een prettig formaat (niet te klein) en leest lekker, maar ik kwam niet verder dan hier en daar een gedicht. Nu ik mijn oude recensie heb doorgelezen staat me weer bij wat voor bundel het was. 

In mijn bespreking ga ik in op de inleiding, waarover indertijd blijkbaar gedoe was geweest, en op de keuze van de dichters. Ik citeer geen enkel gedicht en dat vind ik achteraf wel vreemd. Het is toch wel prettig als in een stuk over poëzie ook poëzie te lezen zou zijn. 

Maar misschien kreeg ik wel de opdracht om dat niet te doen. Ik herinner me dat er ook recensies waren waarin ik een gedicht niet in de oorspronkelijke vorm mocht opnemen, maar alleen binnen mijn prozatekst, met slashes tussen de regels. Hoe het precies zat, kan ik niet meer terughalen. 



Bijltjesdag in de poëzie


Er zijn poëziebloemlezingen die iedere literatuurliefhebber op zijn minst van naam kent: Nieuwe griffels, schone leien, Atonaal en ‘De Dikke Komrij’ bijvoorbeeld. Het zijn bloemlezingen die nieuwe dichters een podium gaven of oude dichters herontdekten of aandacht vroegen voor een andersoortige poëzie. In Komrijs bloemlezing moesten de veelgeprezen experimentelen een paar passen terugdoen en de vormvasten en ironischen kregen meer aandacht dan ze decennialang gehad hadden.

Pogingen om via een bloemlezing de poëzie een duwtje in een andere richting te geven, zijn al meer gedaan. Lava en Zwagerman probeerden dat met Maximaal (1988), wat wel wat rumoer opleverde en bovendien een bloemlezing van dichters die zich niet in het maximale geronk herkenden (Ieder hangt aan zijn gevallen toren, Rogi Wieg), maar toch bloedde het allemaal vrij snel dood.

Met Ik ben een bijl probeert Erik-Jan Harmens een weg vrij te hakken voor wat ik toch maar geëngageerde poëzie noem. Over de inleiding die aan de bloemlezing vooraf gaat is al veel te doen geweest. Die zou rammelen, zichzelf tegenspreken, soorten gedichten uitsluiten die toch in de bloemlezing opgenomen zijn en meer nog.

Het zal wel, maar in ieder geval schreef Harmens een inleiding die je in één ruk uit leest. ‘Ik wil poëzie die op geen enkele manier vrijblijvend is. Ik wil poëzie die zich aan iets committeert. Ik wil poëzie die zich op zijn minst aan zichzelf committeert.’ Zo begint Harmens.

Verderop schrijft hij bijvoorbeeld: ‘Ik wil poëzie die de schrijver de kop heeft gekost. Ik wil poëzie die wordt afgewezen maar als een onder water gedrukte voetbal met een buts komt bovendrijven. Ik wil poëzie die op de schrijversvakschool wordt weggehoond. Ik wil poëzie die niet helemaal de bedoeling is.’

Betrokkenheid, dat is wat Harmens van de dichters vraagt. Hij blieft geen dichters die met een verontschuldigend gezicht zeggen dat het maar poëzie is wat ze schrijven, dat een gedicht niet meer is dan een ding van woorden. Hij wil poëzie die erin hakt.

Tja. Het is mooi hoor, zulke bevlogen dichters, die met een megafoon hun poëzie aan de man brengen; die met bloed schrijven; die hoge idealen hebben. Ze schrijven misschien prachtige gedichten, maar misschien ook blijven ze steken in het gebral.

Ik wantrouw predikers altijd een beetje en hoe prettig woest Harmens ook schrijft, ik begin toch bedenkend te hummen als hij bijvoorbeeld beweert dat we in een wereld van haat geen liefdesgedichten meer kunnen schrijven, omdat dat niet meer dan entertainment zou zijn. Pardon? Het sprookjesachtige ‘Hooglied’ van Menno van der Beek zal door Harmens dan ook wel in de entertainmenthoek geduwd worden, maar het houdt het bijvoorbeeld prima tegen de achtergrond van 11 september 2001. Ook hier staat een toren in brand en een brandweerman klimt ‘als een vlieg tegen het glas’ omhoog. Ondanks die wereld vol haat blijven er dromen bestaan en dichters die geloven ‘dat hij het haalt en dat hij bij haar past’. In de dagen dat CNN op bijna alle tijden op bijna alle tv-schermen verscheen is zo'n gedicht bijna een subversieve daad.

Ach, ik vergeef Harmens graag wat doordraverij. Als hij dan tenminste goede gedichten selecteert en dat heeft hij wel gedaan. Hij selecteerde dichters die in 1998 of later debuteerden. Daarbij smokkelde hij wel een beetje af en toe. Hilbrand Rozema en Menno Wigman bijvoorbeeld debuteerden een jaar eerder met een bundel en in tijdschriften waren hun gedichten waarschijnlijk nog eerder te lezen. Dat soort onnauwkeurigheden lijkt me overigens vergeeflijk.

De dichters met het grootst aantal gedichten in Ik ben een bijl zijn Menno Wigman, Ilja Leonard Pfeijffer, Ramsey Nasr (niet zo heel veel gedichten, maar wel heel veel bladzijden), Saskia de Jong en Alfred Schaffer, een keuze die me te verdedigen lijkt.

Natuurlijk missen we mensen. Hanz Mirck wordt in elke recensie als ontbreker genoemd, waardoor hij door deze bloemlezing meer aandacht krijgt dan wanneer hij wel opgenomen zou zijn. Maar ook René Puthaar, Jane Leusink, Tjitske Jansen, Wouter Godijn, Philip Hoorne en Quirien van Haelen zien we niet terug. Hebben ze te weinig kwaliteit? Te weinig betrokkenheid? Bij Van Haelen kan ik me dat laatste voorstellen, maar we weten het niet.

Van de dichters die wel opgenomen zijn, kan ik niet altijd zeggen dat hun gedichten met de bijl gehakt zijn. Van het gedicht van Erik Harteveld (die al in 1955 geboren werd) druipt bijvoorbeeld de weemoed en eigenlijk vond ik dat wel prettig; een gedicht waarin de wind even gaat liggen tussen al die gedichten waarin het stormt.

Veel gedichten in de bundel hebben namelijk behoorlijk wat vaart en houden ervan te laten merken dat ze krachtig zijn. ‘De metro ramt de voorkant van de dag’ (Menno Wigman) lezen we dan, of ‘de hemel stort zich met bakken te pletter’ (Peter Holvoet-Hansen). Het zal misschien onzin zijn, maar soms moest ik toch terugdenken aan de futuristen van zo'n eeuw geleden. Natuurlijk doel ik niet op de politieke stellingname binnen het futurisme, maar wel op de vaart, de dynamiek, die in veel van de werken uit die tijd terug te vinden was.

Over de keuze van de gedichten is altijd te twisten. Zo snap ik niet waarom van Hilbrand Rozema niets is opgenomen uit zijn bundel Slagveldtoerisme, waarin toch genoeg betrokken gedichten staan. Van Maria Barnas moeten ook betere gedichten te vinden zijn en van Mustafa Stitou had ik wel wat meer gewild. Er is altijd iets te zeuren als je wilt.

In de eerste plaats heb ik echter een interessante bundel gelezen, met werk van dichters die ik voor een deel niet of slecht kende. De bundel heeft me nieuwsgierig en enthousiast gemaakt. Dat lijkt me genoeg.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten