woensdag 9 september 2026

Net echt (Saskia de Coster)

Toen ik het na ging kijken, verbaasde het me: hier heb ik nog nooit geschreven over een boek van Saskia de Coster. Ik las Held (2007), maar dat was voordat ik begon hier mijn besprekingen te plaatsen. Mogelijk heb ik het indertijd besproken in Nederlands Dagblad, maar wat ik daar geschreven heb, heb ik niet meer tot mijn beschikking. Verder was ik vast van plan Wij en ik (2013) te lezen, maar ik realiseer me nu pas dat ik dat nooit gedaan. En in 2019 nam ik Nachtouders op in het lijstje met de beste boeken van dat jaar die ik niet las, maar het jaar erop las ik het niet. De helft van dat lijstje las ik wel. Vreemd. 

Nu heb ik Net echt (2023) gelezen, omdat ik het enkele keren tegenkwam op boekenlijsten van kandidaten voor het Staatsexamen. Gelukkig maar. Intussen ben ik wel wat in twijfel geraakt over de spelling van de naam van de auteur. Die schreef ik altijd als Saskia De Coster, met een hoofdletter 'D' dus, maar op de titelpagina van deze roman is 'de' een minuskel. Dat hou ik dan maar aan. 

Max, Manon en Noah

In Net echt ligt het perspectief wisselend bij Max, Manon en hun dochter Noah. Max en Manon hebben een huis gekocht in de Blauwstraat in Antwerpen. Het is een negentiende-eeuws herenhuis en er moet nog wel het een en ander aan verbouwd worden. Max is architect en het lijkt een klus die je wel aan hem kunt overlaten, maar het schiet niet op. 

Max verkondigt na een tijdje ook dat het misschien niet hoeft, dat je het huis kunt zien als een voorbeeld van onaffe architectuur. Maar de voordeur blijft wel knellen. Max zegt zijn baan op en is daarna veel binnenshuis. Hij gaat een relatie aan met de buurvrouw, Lia. 

Manon werkt bij het bedrijf iCar, waar ze op een gegeven moment 'head legal' kan worden voor de USA, waarvoor ze uiteindelijk een tijd naar de Verenigde Staten moet. Dochter Noah trekt veel op met Pixie, een meisje dat ooit een arm verloren heeft. Ze is verliefd op haar. 

Dat is zo'n beetje de setting. Het huis herbergt een gezin waarvan de leden het moeilijk hebben. De staat van het huis is gebrekkig, zoals de samenhang van het gezin. Max en Manon drijven verder uit elkaar en dat lijkt maar gewoon te gebeuren. 

Als het boek begint, is het helemaal fout gelopen: Max is het huis ontvlucht en verblijft in Kopenhagen, Noah zit aan het andere eind van de wereld. 

Ander soort tekst

De manier van vertellen is aan dat begin (en ook tegen het eind) opmerkelijk: nagenoeg elke zin begint op een nieuwe regel en ook in de loop van de zinnen is er soms ineens een harde return gebruikt, waardoor die stukken niet lezen als deel van een roman, maar eerder als een soort toneeltekst of iets wat tussen poëzie en proza in zit. 

Zes maanden geleden is hij gevlucht, als een misdadiger.
    Ooit was hij een goed mens
    maar wie gelooft dat nog?
    Zijn hele leven ondersteboven,
    opeens was de bodem eruit geslagen. 
    Alle betekenis weg,
    zo veel verloren, 
    zoals dit bad dat leegloopt,
    het ijskoude water verdwijnt in de tuin. 
Het lezen ervan houdt je heel erg bij dit moment, het moment waarop het 'gezegd' wordt. Anders dan de 'echte' prozagedeelten, waaruit een groot deel van het boek bestaat. Daarin zit meer een lijn, volg je meer de voortgang in de tijd. 

Wit op zwart

Na enkele hoofdstukken is er steeds een hoofdstuk in witte letters op zwart papier. Iemand spreekt daarin een 'jij' toe, die schrijfster is. Ik heb het gelezen als een innerlijke dialoog, als de dingen die de vertelster tegen zichzelf zegt. 

Vroeger maakte ze hutten in het bos, nu schrijft ze. De teksten die ze schrijft zijn de hutten die ze voor zichzelf bouwt. Het verhaal van Max, Manon en Noah wordt daardoor de hut die de schrijfster, de 'jij', gebouwd heeft en misschien is het ook wel het onderkomen dat ze nodig heeft. 

De 'jij', die ik voor het gemak maar even de vertelster noem, blijkt ook in de Blauwstraat gewoond te hebben. 

En ondertussen woonden daar rond de Blauwstraat zo veel mensen op elkaar, stapelden de verhalen zich op, en werd hun verhaal ook van jou. 

Je komt het een en ander te weten over haar verleden, met een onvoorspelbare vader, en over de moeite om haar leven op orde te houden of te krijgen. Er wordt verteld dat ze twee dingen wil: schrijven en een geliefde die haar begrijpt. Maar hoe krijg je dat voor elkaar. 

Ze houdt zichzelf een spiegel voor: 

Hier ben je dan, met je eigen verhaal verpakt als dat van andere mensen. 

Toeschouwertjes

Het verhaal van Max, Manon en Noah is een manier om naar zichzelf te kijken. Binnen dat verhaal heeft Max ook al zo'n soort mechanisme: de toeschouwertjes. Die geven commentaar op wat hij doet. Zoals iemand de 'jij' toespreekt, spreken de toeschouwertjes Max toe. 

Die toeschouwertjes zijn er al een tijd:

(...) die waren weer klaarwakker nadat ze jaren in hem hadden geslapen als speelgoedsoldaatjes in een doos in de kelder.

Max is architect, die zich uiteindelijk ex-architect noemt. Hij heeft niet meer het overzicht over het bouwwerk van zijn leven, zoals hij niet meer de controle had over het huis en zoals zijn gezin hem tussen  de vingers door is geglipt. Maar misschien wordt hij juist daardoor teruggeworpen op zichzelf en moet hij zich wel afvragen wie hij is en wat hij moet. 

En dat is dus weer het verhaal dat de 'jij' gebruikt om naar zichzelf te kijken, om zich af te vragen hoe het zit met de bewoonbaarheid van de hutten die ze gebouwd heeft, haar teksten. En in hoeverre is ze zelf daarin te vinden?

Net echt eindigt met:

Het huis staat daar maar. Tot er een sleutel wordt omgedraaid. Het geluid van een slot dat lang niet bewogen heeft en nu krakend uit zijn scharnieren komt, de mond van de deur die sleutel weer hapt, de deur die stroef opendraait. 

De roman is een huis dat je als lezer binnentreedt als je begint te lezen. Achter op het boek staat: 'Begin nu. Leg je scherven bij elkaar. Ga het huis binnen.' Ook de roman zou je kunnen zien als onaffe architectuur, een huis dat zich niet helemaal prijsgeeft en dat in ieder geval een bewoner, een lezer, nodig heeft. En die heeft misschien ook weer zijn eigen toeschouwertjes, zoals de reien in een klassieke tragedie. 

Veiligheid en harmonie

Als kind stelde de 'jij' zich een huis voor dat een symbool was van veiligheid en harmonie. 

En door je zo hard het huis voor te stellen, zou het tot leven komen, je had nog dat kinderlijke geloof. Het huis had een toverkracht, het zou alle zenuwen en angst doen verdwijnen, het was een antigif. Over de drempel stappen zou je genezen van angst. Zo'n huis zou je later bewonen, een huis dat niet voortdurend onder stroom stond. 

Wat voor de 'jij' geldt, zal voor iedereen wel gelden. We fantaseren ons een huis, we maken een verhaal van ons leven in de hoop dat het een huis is, waarin het niet al te zeer waait, wel wetend dat het huis ook een eigen wil heeft. 

Het huis vertoonde zo veel gaten en kieren dat het een eigen leven had. Het verzette zich tegen een verbouwing, de voordeur klemde de kaken steeds meer opeen. 

Maar woorden kunnen veel. Voor en achter in het boek staan motto's die ontleend zijn aan Ocean Vuong. In een ervan staat woorden niets kunnen vernietigen dat niet door woorden herbouwd kan worden. 

In ieder geval heeft Saskia de Coster met Net echt een huis gebouwd waarin we nog lang kunnen ronddwalen. Het geeft niet zomaar alle uithoeken prijs. 

Nu heb ik zin om meteen meer van Saskia de Coster te gaan lezen, maar ik weet dat ik niet al mijn leesvoornemens ten uitvoer breng. Herinner me er maar aan als het te lang duurt voor ik weer over haar schrijf. 

dinsdag 8 september 2026

Guiseppe Bergman 1: Venetiaanse avonturen (Manara)


Wie de strip Guiseppe Bergman, Venetiaanse avonturen openslaat, komt eerst bij een voorwoord, geschreven door de stripmaker, Milo Manara. Het is een wat lastig te lezen tekst: gezet in een vrij klein lettertype en verschillende alinea's zijn niet langer dan een enkele zin. 

Manara vertelt dat er in de jaren zeventig met een zeker dedain gesproken werd over de avonturenstrip, maar dat er gelukkig een stripmaker was die zich daar niets van aantrok: Hugo Pratt. Manara verwonderde zich over de houding tegenover avonturenstrips: er zijn altijd fantastische vertellers geweest. Hij noemt Melville, Conrad, Stevenson London en Kipling. 

Zo begon ik het verhaal van Giuseppe Berman te vertellen, waarbij ik probeerde te analyseren, maar niet helemaal op wetenschappelijke of zelfs maar serieuze wijze, waarom het Avontuur geen populair onderwerp was en of het tegenwoordig nog mogelijk was om dat vervloekte Avontuur echt te beleven. 

Hij vertelt in de inleiding nog meer over zijn zoektocht. Zo reisde hij bijna een jaar lang in een camper 'richting Pakistan, Nepal en India'. Hij vertelt dan weer niet of hij daar ook geweest is of alleen een eindje in die richting. 

Op zoek naar het avontuur

In die strip zegt Guiseppe Bergman op de eerste pagina dat het avontuur eindelijk gaat beginnen. Hij is vrij man en kan beslissen wat hij gaat doen. Hij gaat zich niet meer aan 'absurde, onmenselijke, kunstmatige regels' houden. Hij heeft gereageerd op een wonderlijke advertentie en een producent zegt dat hij geheel vrij is om het theater van zijn  avontuur te kiezen. Geld speelt daarbij geen rol. Maar degenen die het volgen, moeten hun dagelijkse problemen er geheel door vergeten. Een meester van het avontuur, HP, zal hem helpen bij zijn taak. 

Die twee letters zullen niet voor niets de initialen zijn van Hugo Pratt. Guiseppe gaat op pad. Hij is aan niets meer gebonden, zijn vriendin heeft hem net het huis uit gezet. 

Guiseppe trekt eropuit met zijn busje, ontmoet daadwerkelijk HP en komt in allerlei avonturen terecht. Hij speelt daarin geen heldenrol, maar struikelt zich een weg door de avonturen. Eigenlijk valt het Avontuur hem nogal tegen, maar hij zit in het schuitje en moet daarom meevaren. Je zou kunnen zeggen dat hij leert dat het avontuur overal te vinden, als je het maar wilt zien. 

Luchtig

Venetiaanse avonturen is een luchtig vertelde strip, waarin inderdaad veel gebeurt, zoals je van een avonturenstrip mag verwachten. Verder zijn de tekeningen geweldig. In de inleiding vertelt Manara al dat Giraud/Moebius een tijd lang zijn voorbeeld is geweest en dat is ook wel te zien. Je kunt je slechtere voorbeelden kiezen. Het uitgangspunt van de tekeningen is realisme, al zijn er ook afbeeldingen die meer karikaturaal ogen. 

Dat realisme werkt goed, omdat het de balans bewaakt tegenover het verhaal dat absurde kanten heeft, met wendingen die surrealistisch aandoen. 

Metalaag

Manara kan er wat van, dat kun je aan deze strip wel merken. Het verhaal leest lekker, het is grappig en je blijft lezen tot je door de honderd pagina's heen bent. Maar toch. De strip zou een pleidooi voor de avonturenstrip moeten zijn, maar waarom dan niet de lezer een avontuur voorgeschoteld? We krijgen een avontuur, zeker, maar altijd hangt het metaverhaal erboven van iemand die op zoek is naar het avontuur. Die metalaag houdt mij als lezer toch een beetje op afstand. Graag was ik voluit meegegaan in het avontuur, maar ik zit niet alleen in het verhaal, maar ben tegelijkertijd eigenlijk een essay over het Avontuur in de strip aan het lezen. 

Of het waar is dat er neergekeken wordt op de avonturenstrip, weet ik niet, maar je zou kunnen zeggen dat Manara met deze strip dat vooroordeel juist bevestigt: blijkbaar is het niet voldoende om de lezer mee te nemen in een avontuur, er moet ook nog over getheoretiseerd worden. Misschien is 'gewichtigdoenerij' een te zwaar woord, maar het komt wel bij me op, zoals ik ook de inleiding wel wat aanstellerig vind. Met alleen het avontuur van Giuseppe Bergman was ik al tevreden geweest. De metalaag had ik kunnen missen. 

Reeks: Guiseppe Bergman
Deel 1: Venetiaanse avonturen
Tekst en tekeningen: Manara
Uitgeverij: Lauwert
2026, 104 blz. € 26,95

maandag 7 september 2026

Ik moest vanmorgen denken 2, Voorwaarts leven, achterwaarts begrijpen (Jacques Klöters)

Geregeld schrijft Jacques Klöters stukken op Facebook, die allemaal beginnen met 'Ik moest vanmorgen denken'. Af en toe lees ik zo'n bijdrage en dan lees ik die ook altijd uit, al is het behoorlijk wat tekst. Ik vind dat ik dat vaker moet doen, maar daar komt het dan toch niet altijd van. Blijkbaar ga ik op een andere manier om met het medium dan deze bijdragen van mij vragen. 

Maar gelukkig is er ook een boek van en dat heb ik besteld. Voorop staat als titel Ik moest vanmorgen denken, maar op de titelpagina staat ook nog Voorwaarts leven, achterwaarts begrijpen. Deel 2. Dat suggereert dat er ook een deel 1 is, maar dat ken ik dan weer niet. Het boek telt acht hoofdstukken, die alle beginnen met de zinsnede 'Ik moest vanmorgen denken', maar ik vermoed dat er verschillende stukken van Facebook samengevoegd en omgevormd zijn tot een enkel hoofdstuk.

De vreugde uitdragen

Voor in het boek nam Klöters een motto van Montaigne op:

Maar wij moeten in ons leven juist de vreugde
uitdragen en de droefenis zoveel mogelijk verkroppen.

Dat is wel de sfeer die uit het boek spreekt: het heeft een zekere monterheid en dat is een van de dingen die het lezen aangenaam maakt. 

Een groot deel van wat Klöters schrijft behelst herinneringen, aan een tijd die voorbij is, aan mensen die hij gekend heeft en dat zijn ook vaak mensen die wij kennen, maar niet van zo dichtbij. We kennen ze van de televisie, de radio, het theater, van hun plaatjes, van hun teksten. 

Achterwaarts begrijpen

Klöters vraagt zich wel af wat hij in de stukjes doet. Hij blikt om, maar niet met nostalgie, niet met chagrijn of verdriet om wat voorbij is. 

Maar begrijp me niet verkeerd. Ik ben niet van 'hadden we die tijd maar terug en wat is er veel verloren gegaan'. Mij gaat het om het verlangen zelf naar toen, de geamuseerdheid om toen, de vreugde die de herinnering aan toen oproept, de kennis van nu die ik leg naast mijn herinneringen aan toen. Immers: het leven dient voorwaarts geleefd te worden en achterwaarts begrepen. 

Dat laatste verwijst naar een bekend citaat van Sören Kierkegaard. Een ander die hij aanhaalt is Walter Benjamin:

De filosoof Walter Benjamin (1892 - 1940) onderzocht zijn Berlijnse jeugd om zich in te enten met zijn herinneringen, zodat hij beter bestand zou zijn tegen de kwalen die hem wachtten. Daar lijkt het bij mij meer op. Ik kijk vooral naar het verleden om het heden te kunnen begrijpen en ook een beetje om weg te schuilen voor de toekomst. 

En even verderop schrijft hij:

Wat ik vooral wil is in taal de wereld oproepen waarvan ik deel heb uitgemaakt. Een enkele keer probeer ik zelfs terug in de tijd te reizen en de wereld binnen te stappen van mijn voorouders, omdat ik wil weten waar ik vandaan kom. 

Rondlopen in het verleden

Soms lijkt hij werkelijk rond te lopen in dat verleden. Dat doet me denken aan het boek Waar was je nou? (2005), van K. Schippers waarin iemand via een foto in zijn verleden stapt. Klöters doet iets soortgelijks: hij gaat terug naar de jaren veertig en ziet daar zijn vader rondlopen. Hij observeert hem: 

Wat steekt mijn vader af bij al deze mensen in zijn driedelige kamgaren kostuum en met zijn mooie nieuwe derby op zijn hoofd. Hij hoort er al niet meer bij, hij neemt alleen waar. Hoe oud zou hij zijn? Een jaar of twintig, een ouwelijke jongeman die zich omhoogwerkt uit zijn haveloze jeugd. Een man die op weg is naar het mooie licht en de zuivere lucht van het chique Amsterdam Zuid. Zijn kleren zijn er al. 

Maar hij doet het ook met zijn jongere ik, wat me doet denken aan Tomas Lieske die in Alles kantelt (2010) zichzelf ontmoet toen hij nog een kind was. 

Mijn vroegere ik - lang haar en een baard - is in gesprek met journalist Jan Bart Klaster van Het Parool. Ik ben druk aan het woord. Cabaret moet een voorbeeldfunctie hebben, hoor ik mezelf zeggen. 

Klöters wil zijn jongere ik toespreken en vertellen dat cabaret helemaal niets moet, maar hij wordt natuurlijk niet opgemerkt. 

Op de bal

Vaker neemt Klöters afstand van het gedrag van een ik in het verleden. Hij vertelt hoe hard hij bijvoorbeeld Arthur Japin beoordeeld heeft. Het gaat niet om het oordeel, maar op de manier waarop hij dat verwoordde. En hij was het ook nog vergeten. 

Kritiek moet. Desnoods harde kritiek, om gehoord te worden. Maar die moet op het werk zelf gericht zin en mag nooit de mens degraderen. En ja, ik heb dat vroeger vaak gedaan, in mijn cabarettijd en dus kennelijk ook als leraar. Het is iets waarvoor ik me nu geneer en wat me nu stoort op internet, op de tv en in het cabaret. Op de man spelen en niet op de bal. 

Klöters spaart zichzelf niet, maar tegelijkertijd blijft hij loyaal aan zichzelf. Ook bij kritiek op zichzelf speelt hij op de bal. En dat doet hij ook bij anderen. 

Veel van zijn observaties zijn uit de eerste hand, wat ze bijzonder aantrekkelijk maakt. Hij vertelt bijvoorbeeld hoe Jaap van de Merwe optrad voor een publiek dat slechts uit een tiental mensen bestond. Van de Merwe was bitter, juist tegen de mensen die er wel waren. Tot iemand zei: 'Meneer Van de Merwe, zou u hiermee óp willen houden? Ik heb zo'n goede herinnering aan uw werk, en dat maakt u allemaal kapot vanavond.' Het moet een pijnlijk moment geweest zijn. Maar hij introduceert Van de Merwe wel als 'de grote tekstschrijver', waarmee hij hem recht doet. 

Dat geldt bijvoorbeeld ook voor Freek de Jonge, een van de allergrootsten in het cabaret, maar die ook buiten het theater veel aandacht gevraagd heeft, wat hem niet altijd goed gedaan heeft. Ook daarin is Klöters niet vergoelijkend terwijl hij de loyaliteit blijft behouden. Ook hierin wil hij achterwaarts begrijpen en vraagt hij zich af hoe het toch zit. 

Maar hij heeft met zijn succes natuurlijk ook zijn ziel aan de duivel verkocht. Wie is die duivel? Het publiek? Het geld? De roem en aandacht? Ik denk dat het de duivel in hemzelf is, de man die alsmaar aan het werk wil, alsmaar wil scoren, nooit tevreden is, steeds beter moet, bang is voor de achtervolgers. 

Don Quishocking

Natuurlijk komt de geschiedenis van Don Quishocking terug, van het eerste contact met George en Anke Groot tot het programma We zijn volstrekt in de war. Toen ik de LP Trappen op (1978) kocht, had de groep zich al ruimschoots bewezen en kende iedereen de beroemdste liedjes en conferences. Maar ook die groep moest ooit ergens beginnen en het maar zien te maken. Het is een mooi stuk geschiedenissen geworden, verteld in scènes. 

Af en toe kwam er toch wel een weemoedig gevoel over me: al die mensen, waarvan er sommigen al gestorven zijn, in een fase van hun leven dat ze zich nog moesten bewijzen, dat ze nog moesten uitgroeien tot wie ze later zouden worden. Schrijvers als Jan Boerstoel, Willem Wilmink en Hans Dorrestijn, bijvoorbeeld. Maar ook Gerrit Komrij, Tom van Deel, Carel Peeters, Adriaan van Dis. En dan zijn er natuurlijk herinneringen aan artiesten als Heinz Polzer (drs. P.), Adèle Bloemendaal, Toon Hermans, Jules de Corte. 

Er komt een generatie voorbij als een gebergte met heel veel toppen. Het is ook een generatie die voorbij lijkt, wat droevig genoeg is. 

Soms voelt het of ik met een grote schuiver van de tafel word geborsteld. Er zijn al heel wat kruimels omlaag getuimeld, we raken met steeds minder, nog even en dan zijn we outsiders over de rand gekieperd en gaat iedereen rustig door tot het hun tijd is. 

Maar zolang iemand nog een stem heeft, zolang hij nog zijn bijdragen op Facebook kan schrijven en er een boek van kan maken, is het zeker nog zijn tijd. Klöters schrijft niet alleen toegankelijk, maar hij schrijft ook goed: scherpe observaties, nauwkeurig verwoord. En de milde blik waarmee hij de wereld en zichzelf beziet en is aangenaam in de mediawereld, die vooral lijkt in te spelen op polarisatie. Aan de ene kant formuleert Klöters scherp en trefzeker, maar in zijn gedachten is hij een zoeker, die altijd de nuance bij de hand heeft. 

Achter in het boek is een handig register van namen opgenomen, zodat je op kunt zoeken waar er geschreven is over bijvoorbeeld Annie M.G. Schmidt, Friedrich Nietzsche of Youp van 't Hek.