zaterdag 31 januari 2015

Raadselwater (Juliën Holtrigter)


Boven je shit uit stijgen
(uitgesproken bij de presentatie van Raadselwater van Juliën Holtrigter)

De nieuwe bundel van Juliën Holtrigter heet Raadselwater en dat lijkt te suggereren dat de gedichten die erin staan maar moeilijk toegankelijk zijn. Het woord komt in het openingsgedicht voor en daar krijgen we ook nog te horen dat iemand in tongen begint te zingen. Kunnen we er dan nog wel chocola van maken? Toen op de allereerste pinksterdag de apostelen in tongen spraken, dachten de toehoorders al dat ze te veel gedronken hadden van de zoete wijn.

Ontoegankelijk zijn de gedichten van Holtrigter niet. Ze zijn juist glashelder en altijd heb je het idee dat je ze snapt, dat je weet waarover de zinnen gaan, waar de woorden naar verwijzen. Maar als je een gedicht gelezen hebt, blijkt dat er altijd nog een raadsel blijft bestaan. Je lijkt dwars door de gedichten heen te kijken, maar in je ooghoeken zie je iets bewegen. De gedichten gaan altijd over meer dan je uit kunt leggen.

Raadselwater is een goed gekozen titel. Niet alleen vanwege het raadsel, maar ook vanwege het water. Er is veel water in deze bundel en vooral veel zee. Al in het tweede gedicht loopt er een jutter langs de vloedlijn, kijkend of hij spullen vindt die hij kan gebruiken, want ‘Zo lang er schepen vergaan is er leven,’ schrijft Holtrigter. Die jutter zal ook wel voor de dichter staan, die langs de vloedlijn van de werkelijkheid loopt om te kijken wat hij in een gedicht kan gebruiken.

In meer gedichten is de zee aanwezig. Meestal op de achtergrond. Soms ruiken we de zee alleen maar: wier, teer, vis. Soms horen we het kabaal van de golven. Iemand moet maar eens een studie maken van de zee in deze bundel: is ze het beeld van de moeder? Is de zee het grote dat we niet kunnen bevatten? Het zou zomaar kunnen.

Holtrigter houdt van tegenstellingen. Tegenover het kosmische, het onbevattelijke, het grote, plaatst hij het aardse, het nabije, het nietige. Het is niet het een of het ander, maar ze zijn er gelijktijdig. In het gedicht over het raadselwater en het zingen in tongen, ligt er iemand naar de hemel te kijken. Maar het gedicht eindigt met:
Zij hangt haar kousen te drogen.
Ik lig op haar bed en steek een sigaar op.
Het hogere en het lagere zijn er gelijktijdig en ze gaan samen met een gemak dat ik sinds het werk van de dichter Dèr Mouw niet meer gezien heb. Die voelde ‘éénzelfde adoratie branden / Voor Zon, Bach, Kant en haar vereelte handen.’

Hoe Holtrigter die uitersten samen laat gaan, wil ik laten zien aan de hand van het gedicht ‘Mestkever’.
Glanzend zwart, onberispelijk strak
in het pak, gelukkig gebukt onder de last
van zijn pantser, rolt de kever zijn shit
als een dief in de nacht naar zijn nest,
de zon een lamp voor zijn voet, de maan
een licht op zijn pad, ieder koestert zijn eigen
verdriet, daar blijft een ander van af.
Schijnt er geen zon en geen maan dan scant
zijn speldenknopbrein het heelal. Zo vindt hij
altijd de weg.
Te zwaar om te vliegen is hij, maar heilig
genoeg om boven zichzelf uit te stijgen.
Bij de eerste regels (Glanzend zwart, onberispelijk strak / in het pak) moest ik meteen aan een uitvaartleider denken. Of dat de bedoeling is, weet ik niet. De dood zit op verschillende plaatsen in deze bundel onder de woorden . Het gedicht ‘Voortschrijdend licht’ bijvoorbeeld begint met ‘Daar gaat de bloemist met zijn kransen, / die net als de dichter belang heeft bij sterfte.’

Onze blik wordt in dit gedicht wel erg naar de aarde getrokken: naar de shit die de kever naar zijn nest rolt. Shit is bargoens voor buit. Daarom gaan we al een beetje aan diefstal denken. En dan vertelt de dichter ook nog dat die kever aan de gang is als een dief in de nacht.

Bij die dief in de nacht denken we ook aan de dood die plotseling optreedt. Een boek over de dood van Johannes Paulus I heet Als een dief in de nacht en in de Bijbel wordt de uitdrukking verschillende keren gebruikt in combinatie met de dag des oordeels.

Die voorzichtige verwijzing naar de Bijbel wordt wat minder voorzichtig in de volgende regels: de zon een lamp voor zijn voet, de maan / een licht op zijn pad. Dat verplaatst ons naar de psalmen. In psalm 119 lezen we: Uw woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad.

Onopvallend heeft Holtrigter dus een andere werkelijkheid geweven door de werkelijkheid van de kever. Je zou kunnen zeggen dat hij al in deze regels een hemel boven de aarde spant.

We lezen verder: shit is niet alleen mest en niet alleen buit, maar je shit is ook je verdriet. ‘Daar blijft een ander van af’, schrijft Holtrigter. En dan wordt het pantser van de mestkever meteen het pantser waarmee anderen afgeschermd worden van het verdriet dat hij koestert.

En voor we het weten worden we zelf een mestkever. Wij hebben allemaal ons pantsertje, we rollen allemaal onze shit naar ons nest. We zijn maar kevertjes met een speldenknopbrein, maar boven ons heeft de dichter een hemel gespannen. Zelfs als er geen zon of maan is, kunnen we ons daarop richten. We zijn te zwaar om te vliegen, maar we kunnen boven onszelf uit stijgen, door te beseffen dat er iets is wat boven onze shit uit gaat.

In dit gedicht verbindt Holtrigter het kevertje met de hemel, de shit met de zon en de maan. Het is er allemaal en ook nog allemaal tegelijk. We lijken te kijken naar een overzichtelijk tafereel: een kever met een bolletje mest, maar het hele universum doet mee.

Onder het gedicht klotst een fikse thematiek en toch heeft Holtrigter geen zwaar gedicht geschreven. De toon is licht en al die assiociaties die we zouden moeten krijgen, komen ons tijdens het lezen aangewaaid. Die krijgen we, doordat de dichter ons steeds een duwtje geeft, zoals de mestkever duwtjes tegen zijn buit geeft; hij richt onze blik: eerst naar beneden, naar dat mestkevertje dat we bijna vertrapten en daarna naar boven, naar de kosmos, die wij met ons speldenknopbrein helemaal niet kunnen bevatten.

Ooit zullen ook wij vergaan tot mest, maar nu is het nog niet zo ver. Daarom is het zaak om nu gedichten te lezen. Deze gedichten, in deze bundel. Het zijn troostende gedichten. Soms is de troost een sigaar, soms zijn het de torren die in de jungle van het gazon op hun gitaren tokkelen, soms is het het besef dat je uit je as zult opstaan. Holtrigter biedt ons tal van mogelijkheden om te ontsnappen aan onze shit.

Het zal duidelijk zijn: wie Raadselwater nog niet heeft, moet het gaan kopen, gaan lezen, gaan herlezen. En wat je gelezen hebt, moet je doorgeven aan anderen. Of, zoals de slotregels van de bundel het zeggen:
We moeten evenwel verder.
Het raadsel dragend, de een aflossend de ander,
en zo maar voort,
je weet niet eens wat je doorgeeft.
Juliën Holtrigter over zijn nieuwe bundel. 

vrijdag 23 januari 2015

Een onschuldig meisje (Bernlef)


In oktober 2012 overleed de schrijver Bernlef; hij liet een omvangrijk oeuvre na. Hier schreef ik daar indertijd over. Maar bij zijn dood was zijn oeuvre nog niet compleet. Er verschenen nog een roman (Onbewaakt ogenblik) en een verhalenbundel (Wit geld). En nu ligt er alweer een boek van Bernlef in de winkel: Een onschuldig meisje.

In hoeverre Bernlef dit boek als af beschouwde, blijft een beetje gissen, net zoals wat hij ervan gemaakt zou hebben als hij niet geweten had dat hij nog maar weinig tijd had.

Het verhaal speelt zich af rond het jaar 2000, schat ik, afgaande op de popgroep Destiny's Child, waarnaar ergens verwezen wordt. Hoofdpersoon is de jonge onderwijzer Jos Swinkels, die een baan krijgt op een basisschool, in een dorp bij de kust. Hij staat voor een combinatieklas 7/8. Ik vermoed dat Bernlef zich niet zo heel erg heeft verdiept in hoe het er op een basisschool aan toe gaat, maar dat hij vooral geput heeft uit zijn herinneringen. De onderwijzer heeft rustig de tijd om een uur voor te lezen, hij hoeft geen citotoetsen af te nemen, er zijn geen vergaderingen op school.

Dat zorgt ervoor dat je het gevoel krijgt dat je je in een tijd bevindt die verder achter ons ligt dan een jaar of vijftien. Ook andere elementen die het verhaal dichter bij het heden hadden kunnen plaatsen (computers, mobieltjes) heeft Bernlef achterwege gelaten. Ik vind dat niet zo'n probleem, vooral omdat het verhaal goed leest. Bernlef schrijft helder; met weinig middelen weet hij je het verhaal in te zuigen. Al gauw heb je het idee dat je een beeld hebt van de onderwijzer, sommigen van zijn leerlingen, de dorpsgemeenschap.

In de hoogste groep zit een meisje (Lucille) dat een jaar ouder is dan de rest. Ze is intelligent en dwars. Als in het dorp het verhaal gaat dat Jos dit meisje misbruikt heeft, komt hij onder druk te staan. Zelfs als het veronderstelde slachtoffer de beschuldigingen gaat ontkennen, maakt het niet meer uit: in de hoofden van de dorpsbewoners is het al waarheid geworden.

Het gegeven doet denken aan de film Jagten. Ook daar gaat het om een onschuldige onderwijzer, die beschuldigd wordt van seksueel misbruik. De spanningen lopen daarbij zo hoog op dat de beschuldigde zijn leven niet meer zeker is. De film gaat bijna in zijn geheel over die oplopende spanningen, waarbij je je steeds afvraagt wanneer die tot een fatale uitbarsting zullen komen.

Zo spannend maakt Bernlef het niet. De beschuldiging komt ook pas aan de orde als het boek al over de helft is. Had Bernlef een dikker boek in gedachten? Het zou kunnen. Een enkel los draadje hecht hij niet af. Het gaat over ondergoed van Jos en Lucille. Vanwege de plot zal ik er niet meer over zeggen.

De aanloop naar wat ik maar 'de kwestie' zal noemen krijgt de meeste aandacht. We zien hoe de onderwijzer een plaats voor de klas en die in de dorpsgemeenschap verwerft en hoe hij gefascineerd is door de geschiedenis van het plaatsje.

Tegelijkertijd krijgen we een beeld van Lucille, die het moeilijk heeft met haar ouders en later ook met haar vriendinnen. Het is een stoer meisje, dat eigenlijk heel kwetsbaar is. Bernlef  portretteert haar zo, dat we ons ook in haar kunnen inleven.

Als de spanning erg is opgelopen, zijn we bijna door het boek heen. Dat gaat allemaal wel erg snel en misschien ook wel te snel. De omstandigheden waaronder dit boek tot stand is gekomen, zullen daar wel debet aan zijn.

Een onschuldig meisje is dan ook niet een hoogtepunt in het oeuvre van Bernlef. Maar het is wel een boek van een vaardig schrijver, dat zo vlot leest, dat je het idee hebt dat fluitend geschreven is. Om die indruk te wekken moet Bernlef er hard aan gewerkt hebben. Mooi dat hij ons dit presentje nog kon nalaten.

donderdag 22 januari 2015

Ils sont Charlie


Vorige week zondag liepen in Frankrijk miljoenen mensen mee in de Mars van de Republiek. Ook in Nederland werd er gedemonstreerd. In verschillende steden en dorpen gingen mensen de straat op, potlood of pen in de vuist of een bord voor de borst met ‘Je suis Charlie’. Het is mooi dat zoveel mensen hun medeleven betuigden met de nabestaanden van de slachtoffers en dat ze het belang van de vrijheid van meningsuiting onderstreepten.

Cartoonisten protesteerden op hun eigen manier: ze tekenden cartoons. Veel van die tekeningen kwamen op hetzelfde neer: het potlood neemt het op tegen het automatische wapen en het wint. Dat is een troostende gedachte, maar klopt die ook?

Wel als bedoeld is dat een aanslag het tekenen niet kan stoppen en dat zo’n terreurdaad het vuur bij de cartoonisten misschien zelfs aanwakkert. Of, zoals men ten tijde van de inquisitie zei: het bloed der martelaren is het zaad van de kerk.

Maar zal een potlood ooit een wapen het zwijgen opleggen? Zal niet alleen de vrije tekening, maar ook het vrije woord sterker blijken dan de onderdrukking? Natuurlijk wil ik dat graag geloven, maar ik twijfel wel.

Er zijn tekenaars gedood en we krijgen ze met geen honderd cartoons terug; er zit een blogger in de gevangenis, waar hij stokslagen krijgt, ondanks alle protesten; op verdachte wijze vinden journalisten de dood, ondanks kritische reportages.

Natuurlijk vind ik dat we vinnige tekeningen moeten maken, dat we protest moeten aantekenen, dat we scherpe stukken moeten schrijven. We moeten het doen in de overtuiging dat het water de steen zal uithollen, dat het verstand zal zegevieren over de domheid, dat het kwaad het uiteindelijk niet redt. En we moeten maar op de koop toe nemen dat we keer op keer teleurgesteld worden.

Voor de vrijheid van meningsuiting wil ik wel mijn vuist omhoog steken, ik wil best roepen dat we die met hand en tand moeten verdedigen. Maar dat is een overtuiging die mij niets kost. Ik kan beweren dat de prijs voor het vrije woord zelfs niet te hoog is als die bestaat uit mensenlevens, maar zou ik dat ook zeggen als het om mijn eigen leven ging of, nog erger, het leven van mijn kinderen en andere geliefden? Dan ben ik ineens niet zo zeker en zo dapper meer. Ik ben Charlie niet.

De makers van Charlie Hebdo hebben de prijs betaald, of ze dat nu wilden of niet. En ze gingen door. Ze brachten een nieuw nummer uit, met voorop weer een afbeelding van de profeet, een traan in zijn oog, het intussen bekende bord in zijn handen. Het is een tekening die gemaakt is met een scherpe pen en met een groot hart. Het is een tekening die niet bralt over de oorlog tussen de islam en het westen, maar die Mohammed laat huilen. Zo had hij niet bedoeld. Hij pakt een bord en gaat aan de andere kant staan.

Ik vond het een ontroerende reactie op al het geweld. Zo doen de tekenaars dat dus. Ils sont Charlie. Alleen zij.

woensdag 14 januari 2015

Het gym (Karin Amatmoekrim)


Altijd wil ik meer lezen dan waaraan ik toe kom. Soms kan ik achteraf nog iets goedmaken. In 2011 wilde ik Het gym van Karin Amatmoekrim wel lezen, maar het kwam er niet van. Intussen heb ik de achtste druk van het boek gekocht en het alsnog gelezen.

Het gym gaat over de Surinaamse Sandra Spalburg. Ze komt uit een achterstandsbuurt: Zeewijk. Zij is de enige van haar school die naar het gymnasium, of, zoals ze in de wijk zeggen: het gennasium. gaat. Ze blijft omgaan met enkele vriendinnen uit haar wijk (Tanya en Chantal), maar op momenten is er ook afstand: doordat ze naar het gym gaat, is Sandra een stuudje geworden. Als ze aankomt bij een groep wijkelingen, wordt ze dan ook aangeduid met 'hoog bezoek'.

Ook op het gymnasium is Sandra een uitzondering: ze is niet blank en ze komt uit een andere wijk. Geregeld valt ze door de mand: door haar kleding, door haar woordkeuze, doordat ze op verjaardagen de verkeerde cadeautjes geeft. Sandra valt tussen twee werelden in. 

Dat deed me denken aan de roman Kaf van Susan Glimmerveen. Daar gaat het over een intelligent meisje dat op de huishoudschool terechtkomt. Ook zij voelde afstand tussen de wereld waaruit ze kwam en de wereld waarin ze terechtkwam.

Mij staat niet meer duidelijk bij wanneer Kaf speelt. Jaren zeventig? Tachtig? Het gym speelt zich af in de tweede helft van de jaren tachtig. Waarschijnlijk 1987 of 1988. Rembo & Rembo (dat programma startte in 1987) is al op tv en Toppop is er nog (dat eindigde in 1988). Populaire artiesten zijn Salt-n-pepa (eerste hit in 1986) en Wham! Die groep werd in 1986 opgeheven, maar zal nog wel populair gebleven zijn, schat ik. Nog verschillende keren kwam Last christmas in een toplijst terecht.

Amatmoekrim schrijft helder, wat haar boek ook aantrekkelijk zal maken voor middelbare scholieren. Het perspectief ligt bij de brugklasser Sandra; dat  zal de identificatie vergemakkelijken. Maar volwassenen hebben allemaal een middelbare scholier in zich en zij zullen ook kunnen herkennen hoe een leerling zich voelt op een middelbare school.

Sandra's moeder leeft van een uitkering en dat is niet altijd even gemakkelijk. Dat is een achtergrond waarover Sandra niet kan praten met de hockey- en tennismeisjes die verschillende keren per jaar op vakantie gaan. Ze doet er dan ook alles aan om haar nieuwe vriendinnen weg te houden bij de wijk waarin ze woont.

Ook het feit dat ze niet blank is, maakt haar bijzonder. Ze wordt daardoor het mikpunt van een klasgenoot, Bart Willink, die racistische grappen maakt ten koste van Sandra en er alles aan doet om haar te vernederen.

Daarin doet Het gym denken aan het jeugdboek Desnoods met geweld van Jan de Zanger. Daar zijn de racisten gewelddadiger en ze zijn georganiseerd. Het perspectief ligt in dat boek bij Lex, de vriend van een Indonesisch meisje, dat in elkaar geslagen is. Lex keert zich tegen de racisten, waardoor hij zelf ook partij wordt.

Doordat Amatmoekrim een Surinaams meisje als hoofdpersoon heeft gekozen, kan ze ook laten zien wat racisme doet met iemand tegen wie het gericht is. Bart is openlijk in zijn aanvallen. Er zijn ook mensen die duidelijk willen laten merken dat ze niet racistisch willen zijn, maar daardoor toch Sandra in een uitzonderingspositie plaatsen. Op een verjaardag wordt verteld hoe knap het is dat een meisje als Sandra naar het gymnasium gaat. Ze krijgt zelfs applaus, waardoor ze zich opgelaten voelt.

Een moeder van een vriendinnetje zegt tegen Sandra:
Jullie zijn zo één met die natuur, hè. Jouw volk is echt nog heel oer. Mooie, mooie mensen. Dat zijn jullie toch. 
Op school doet Sandra het goed: ze haalt hoge cijfers en haar opstel mag ze voorlezen, omdat ze de beste van de klas is. Ook heeft ze vriendinnen, die het beste met haar voor hebben, maar die eigenlijk niet zien op welke plaats zij Sandra neerzetten door hun gedrag. De meisjes hebben ongetwijfeld goede bedoelingen, maar ze bevestigen bij Sandra het gevoel dat ze anders is.

Ook de moeilijkheden in Sandra's wijk worden door Amatmoekrim beschreven. De ex-man van haar moeder komt een tijdje bij het gezin wonen en vertrekt dan toch weer. Veel mensen hebben geen baan. Moeder zegt wel dat ze een cursus gaat doen om meer kans te hebben op een baan, maar in de praktijk komt daar niet veel van terecht.

In de wijk lopen de culturen door elkaar. Er is solidariteit, zeker tegenover de mensen van buiten, maar er wordt ook gescholden op de buitenlanders die de banen inpikken. Hans Janmaat van de Centrum Democraten krijgt ook uit de wijk stemmen.

Amatmoekrim heeft een heel aardig boek geschreven, dat vlot leest en dat een goed beeld geeft van een ontheemd meisje, dat ongetwijfeld staat voor meer jongeren van ooit en van nu. Sommige passages zijn zo geschreven dat je ze voor je ziet.

Stilistisch zoekt Amatmoekrim soms de gemakkelijke weg. Ze kiest dan voor afgesleten uitdrukkingen of typische romanwoorden: een 'beduimeld' papiertje; iemand wordt 'badend in het zweet' wakker; iemand heeft een 'gepijnigd' gezicht; een ander kijkt 'besmuikt'; een tuin is 'omzoomd' door bomen. Het zijn woorden die niet passen in Sandra's waarneming, lijkt me.

Intussen heeft de schrijfster alweer een boek aan haar oeuvre toegevoegd: De man van veel, over Anton de Krom. Daar heb ik goede dingen over gelezen. Amatmoekrim zal zich uitgebreid hebben moeten documenteren. Daardoor zal het ook interessant zijn voor mensen met belangstelling voor de geschiedenis. Het komt op mijn lijstje 'ooit te lezen' en het kan zomaar zijn dat ik het over een jaar of drie vier alsnog lees. 

zaterdag 10 januari 2015

Afke's tiental (Dick Matena)


Sommige klassiekers uit de jeugdliteratuur heb ik aan mij voorbij laten gaan. Het is er domweg nooit van gekomen om ze te lezen. Om maar een paar titels te noemen: Kruimeltje, De brief voor de koning, Paulus de boskabouter, Het sleutelkruid  Het wereldje van Beer Ligthart, De scheepsjongens van Bontekoe, Minoes. 

Afke's tiental is ook zo'n boek. We hadden het wel in huis, maar ik heb het nooit gepakt. Maar zoals ik mijn nalatigheid bij Kruimeltje, De scheepsjongens van Bontekoe en Minoes een klein beetje goed heb gemaakt door de verfilmingen te bekijken, heb ik nu toch het verhaal van Nienke van Hichtum tot mij genomen door de verstripping van haar boek door Dick Matena te lezen.

Matena maakte de strip al in de jaren negentig en publiceerde die in Donald Duck. Er kwam nooit een album van. Tot nu. Bij uitgeverij Personalia is het verschenen in drie versies: in het Fries en in het Nederlands (ingekleurd) en als 'stripkleurboek voor volwassenen'.

Het zijn mooie albums geworden. Voor in de ingekleurde versie staat een kort voorwoord van de Commissaris van de Koning in Friesland, een stukje over Nienke van Hichtum (Sjoukje Troelstra - Bokma de Boer), wat wetenswaardigheden over Afke's tiental (Het werd ooit geweigerd bij de grens van de DDR) en een stukje van Dick Matena die vertelt dat er ooit plannen waren om de strip op te nemen in Tina, omdat men daar dacht dat het een lief meisjesverhaal zou zijn. Matena maakte de redactie duidelijk dat het 'een waargebeurd en ernstig verhaal over een arm Fries gezin met tien kinderen' is. Rond die tijd maakte hij wel de verstripping van Joop ter Heul voor Tina. 

Matena heeft zijn sporen in het verstrippen van literatuur intussen wel verdiend. Onder aan mijn stukje over Matena's Tom Poes en de Pas-kaart heb ik links opgenomen naar stukken over Kort Amerikaans, De jongen met het mes en Kees de jongen. Ook de klassiekers uit de jeugdliteratuur zijn door Matena onder handen genomen: van Pietje BellDe schippers van de Kameleon en Dik Trom maakte hij mooie stripverhalen.

En nu dus Afke's tiental. Matena heeft niet de integrale tekst overgenomen (zoals bijvoorbeeld bij Kees de jongen). In de tekst van Van Hichtum markeert hij wat hij aan tekst gaat gebruiken en wat hij gaat tekenen. Een voorbeeldbladzijde staat voor in het album. Het tekenwerk is weer vintage Matena: tekeningen in niet al te dikke lijnen, die niet variëren in dikte. De inkleuring, met waterverf, is wonderschoon.

Het verhaal is niet heel bijzonder: het zijn kleine gebeurtenisjes uit een gezinsleven. Het schrijnende van de armoede wordt wel een beetje duidelijk, maar gaat je niet dicht op de huid zitten. Misschien was dat ook niet gewenst voor Donald Duck. De indruk ontstaat dat het arme gezin geïdealiseerd is: eigenlijk heeft ieder gezinslid een hart van goud. Dat is misschien wel kenmerkend voor jeugdboeken uit het begin van de twintigste eeuw. Dik Trom, Pietje Bell en Kruimeltje waren, ondanks hun streken, immers ook door en door goed.

Moeder Afke houdt erg veel van haar kinderen, net als vader Marten en de kinderen houden van hun ouders. Een van de zonen krijgt een keer onterecht en paar klappen en eentje krijgt een flink pak op zijn broek, maar voor de rest is het allemaal braaf en zoet.

Matena roept met zijn tekeningen een vervlogen tijd terug en als je uit bent op nostalgie kun je aan dit album dan ook je hart ophalen. Ik had verwacht dat het ellendige van de armoede meer naar voren zou komen, wat niet het geval is. Maar misschien ligt dat meer aan Van Hichtum dan aan Matena. Om dat te weten te komen, moet ik toch het boek gaan lezen.

Vorig jaar werd Dick Matena in Museum Meermanno uitgeroepen tot Levend Erfgoeddrager (zie filmpje hieronder). De stripwereld is goed in het uitdelen van prijzen en bekroningen, al worden de striptekenaars er meestal financieel niet beter van. Ook aan de jaarlijks uitgereikte Stripschappenningen, die toch een zeker prestige hebben, is geen bedrag verbonden.



Ter gelegenheid van de bekroning is er wel een prachtig boek verschenen: 100 pagina's Dick. Mooi fotomateriaal, interviews en artikelen en vooral een compleet overzicht van het werk van Matena, met uit elk werk een voorbeeldbladzijde. Natuurlijk komen we De Argonautjes en Grote Pyr tegen, maar ook de tekeningen die Matena maakte voor Donald Duck (De kleine boze wolf, Tokkie Tor en Knabbel en babbel bijvoorbeeld).

Sommige strips was ik alweer vergeten, zoals Dandy, een verhaal dat ik in 1979 in Eppo las en van andere wist ik niet dat Matena ze gemaakt had, zoals een parodie op Sneeuwwitje, die in 1994 anoniem verscheen en Mozart en Casanova uit 1991.

Onlangs was er bij Het Uur van de Wolf een mooie documentaire te zien: Dick is boos. De reacties erop waren wisselend. Op Facebook las ik dat enkelen alleen de eerste tien minuten gezien hadden en vonden dat Matena alleen maar aan het mopperen was. Mij stoorde het niet Ik heb de documentaire tot het eind toe geboeid bekeken. Kijk ook: hier.

100 blz. Dick is een boek dat recht doet aan de statuur van Matena, een groot tekenaar (en scenarioschrijver) met een gevarieerd oeuvre. Hij tekent nog steeds en ik hoop dat hij dat nog een tijdje kan doen, zodat er ooit een dikkere herdruk van dit boek nodig zal zijn. Met een aangepaste titel natuurlijk.

Afke's Tiental door Dick Matena
Uitgeverij Personalia
softcover, 64 blz. € 12,95


100 pagina's Dick
Uitgeverij Personalia
hardcover, 100 blz. € 24,95


Afke's Tiental, Stripkleurboek
tekst en tekeningen Dick Matena
softcover, 48 pagina's, € 9,95

donderdag 8 januari 2015

Antarctica. Deel 1 Bedrog



Bij een strip over een historische tocht naar Antarctica verwachten we een heldenverhaal: mannen die ontberingen doorstaan en uiteindelijk wel of niet hun doel bereiken. Het is in ieder geval een onderwerp dat tot de verbeelding spreekt. Bij het geschiedenisprogramma OVT was een tijdje terug een mooi tweeluik te horen over de Zuidpoolreiziger Ernest Shackleton (deel 1 en deel 2).

De bekendste ontdekkingsreizigers zijn Robert Scott en Roald Amundsen. De geschiedenis van hun tochten vind je hier en hier. Over Scott werd in 1948 een film gemaakt: Scott of the Antarctic en er is ook een film over de competitie die er was om als eerste de zuidpool te bereiken: Race for the Poles (2000).

En nu is er dus een strip: Antarctica, met een scenario van Jean-Claude Bartoll en tekeningen van Bernard Kölle. De inkleuring is gedaan door Vladimir Davidenko. Het eerste deel is nu verschenen: Bedrog. In het eerste deel wordt al een begin gemaakt met een van de verhaallijnen: de rivaliteit is tussen Amundsen en Scott. Beiden vertrekken in 1910 om als eerste de geografische Zuidpool te bereiken. Amundsen besluit om honden mee te nemen, Scott kiest voor pony's.

Een andere verhaallijnen is die van kapitein Knut Larsson. Hij is verliefd op Maureen, de dochter van een reder. Op een gegeven moment is er een worsteling, waarbij er een pistool afgaat. Natuurlijk wordt een onschuldige getroffen en Knut wordt als dader aangewezen. Dat is natuurlijk een knoeper van een cliché, en het is jammer dat de scenarioschrijver daarnaar gegrepen heeft.

Larsson moet op de vlucht en gaat met Amundsen mee naar Antarctica. Hij schrijft Maureen dat hij misschien wel niet meer terugkomt. Maureen blijft natuurlijk houden van haar held, en reist hem zelfs achterna, al lukt het haar niet om bij Amundsen aan boord te komen. Dan is er ook nog een zekere Oates, die bij Scott aan boord is en een verstekeling.

Om het historische verhaal heen heeft Bartoll dus allerlei verhaallijnen geweven die ons meeslepen door de geschiedenis en dat is heel aardig gedaan. De tekeningen van Kölle zijn fraai, net als de inkleuring door Davidenko. We krijgen een behoorlijk spannend verhaal en tegelijkertijd doen we kennis op van de geschiedenis.

Ik ben benieuwd naar de volgende delen, waar we ongetwijfeld te maken krijgen met de barre kanten van het poolgebied. En ik wil ook wel weten hoe het afloopt met Larsson en zijn geliefde Maureen, die waarschijnlijk beiden net zoveel doorzettingsvermogen hebben als de ontdekkingsreizigers. Laat maar komen die delen.


Antarctica. Deel 1 Bedrog
Scenario Jean-Claude Bartoll
Tekeningen Bernard Kölle
Inkleuring Vladimir Davidenko
Uitgeverij: Glénat
hardcover, 48 blz. €16,95

dinsdag 6 januari 2015

Lulhannes (Woorden die je weinig hoort 5)



In het gesprek dat Wim Brands onlangs had met de schrijver Jeroen Brouwers, gebruikt Brouwers het woord 'lulhannes' als karakterisering van de hoofdpersoon van zijn roman Het hout, en bij uitbreiding voor meer hoofdpersonen van zijn boeken.

'Lulhannes' lijkt voor Brouwers de betekenis te hebben van 'lulletje' of 'persoon zonder doorzettingsvermogen'. Bij mij thuis werd het woord vooral gebruikt door mijn moeder. Zij kon een van haar kinderen zo noemen als die maar een eind weg kletste: 'Och, lulhannes'. In mijn herinnering heeft het woord dan ook voornamelijk te maken met kletsen, lullen. Zo werd het door meer mensen in mijn omgeving gebruikt. Maar misschien is die betekenis regionaal bepaald. Ik groeide op in de Betuwe.

Jeroen Brouwers is zelf ook wel een lulhannes genoemd. In een stuk van Bas van Putten in De Groene Amsterdammer (2009). Meer in de betekenis van leuteraar dan van sukkel. Opmerkelijk genoeg citeert Van Putten daarbij ook zijn moeder.

In het Woordenboek der Nederlandse Taal wordt 'lulhannes' op twee plaatsen genoemd: in het lemma 'Hannes' en in het lemma 'lullen'. Een Hannes is een laffe of lamlendige vent: bloed, lummel, sul en dergelijke, volgens het WNT. Dat lijkt erg op de lulhannes bij Brouwers. Bij 'lulhannes' geeft het WNT: 'leuterkous, kletsmajoor'. Dat is de lulhannes van mijn moeder.

Onder het lemma 'lullen' treffen we als derde betekenis aan: 'Onbeduidende dingen zeggen, kletsen, zaniken, zagen. Thans, afgezien wellicht van sommige dialecten, alleen in platte taal.' In het dialect dat wij spraken, werd 'lullen' niet als plat gezien. Nog steeds niet, volgens mij.

Er wordt ook een uitdrukking genoemd: 'Lullen is geen visch' (praatjes vullen geen gaatjes) - een mooie uitdrukking die van mij in ere mag worden hersteld.

Ook hier wordt de lulhannes genoemd: 'hetzelfde als lul(le)broer; vandaar: lulhannesen. Ik neem aan dat dat een werkwoord is. Er wordt verwezen naar Pijpelijntjes van Jacob Israël de Haan, maar ik vind zo gauw niet de precieze context. Duidelijk is dat het WNT de betekenis 'sukkel' wel geeft aan 'Hannes', maar niet aan 'lulhannes'.

Bij het googlen tref ik een blog aan (Woordhoek van NRC) waarin de lulhannes bij de kop wordt genomen. Daarin ook een mooi citaat uit een brief van Du Perron aan Ter Braak (1939):
Ze bàrsten ook van de lol om zekeren ex-student Kamp (?), nu burgemeester, die daverende moppen heeft geschreven over leidsche zeden – en die voor mij wel de meest zoutelooze lulhannes is waarvan ik ooit luim en kortswijl in handen kreeg. Jong, conservatief, geborneerd en onzelfstandig, maar… methodisch! ernstig! vol wetenschappelijk verantwoordelijkheidsgevoel! Je moet maar denken: het is goed dat de Universiteit ze nog zóó maakt, want zoo zijn ze op hun aardigst.
De complete brief is hier te lezen.

Wordt 'lulhannes' nog gebruikt? Ik roep Google te hulp. Die verwijst mij naar een filmpje over een lulhannes die een bommetje probeert in een bevroren zwembad. Lulhannes lijkt me hier synoniem met sukkel. Dit soort filmpjes wordt vaker geplaatst. Hier bijvoorbeeld. De lulhannes wordt in het commentaar ook 'flapdrol' genoemd, wat dicht bij 'sukkel' ligt. Of hier: 'Lulhannes gooit vuurwerkje in brievenbus.'

Dat is ook de betekenis die Willem van Hanegem geeft aan het woord. Hij noemde in 2008 een scheidsrechter 'lulhannes'. Hij werd ervoor naar de tribune gestuurd en bovendien kreeg hij een boete van vijfhonderd euro. In een column in het Algemeen Dagblad vroeg Van Hanegem zich af of hij dan misschien 'sukkel' had moeten zeggen. Het woord trok wel de aandacht. Het werd zelfs gescandeerd tijdens een wedstrijd.


Wie zoekt naar 'lulhannes' komt vaak het incident met Van Hanegem tegen. In mijn oren is 'lulhannes' niet zo'n erg scheldwoord, maar ik associeer het dan ook met 'leuteraar' en niet met 'sukkel'.

In 2010 wordt Ghislaine Plag de nieuwe presentatrice van Rondom 10. In een reactie zegt Steven:
Ik hoop niet dat zij net zo’n linkse lulhannes is als die van Grimsbergen, misschien eindelijk eens een keer een rechtse lulhannes, zou niet verkeerd zijn op ons aller pluriforme PO. Lekker aanschoppen tegen politiek correct Nederland, Bos en Pechtold. Een keer wat anders als zeiken tegen Wilders. ;)
Betekenis: leuteraarster, lijkt me. Hieruit blijkt dat een lulhannes niet per definitie een man is.

In een blogbericht van Karin Oldeweghuis kom ik het woord ook een paar keer tegen. Oldeweghuis loopt helemaal leeg als ze het heeft over de ex-man van ene Annette Evers. Van de interpunctie klopt niet veel en het 'artikel' lijkt te bestaan uit vier keer hetzelfde stukje. Een indruk:
...en dat terwijl ze daardoor die aanvallen kan krijgen.haar medicatie klopt niet.ze zit 90 dagen volledig onschuldig vast,vanwege een mishandelende ex,die z,n poten niet thuis kan houden.haar kinderen mag ze helemaal niet meer zien,maar ja,die zitten nu bij een kindermishandelaar en een exzwager cq pedofiel.die kinderen lopen gevaar dus.zekrijgt al heel erg lang geen alimentatie meer,omdat meneer lulhannes ex z,n bedrijf expres op 0 heeft gezet,puur om haar te treiteren.
exlulhannes heeft z,n eigen kind,die een darmafwijking heeft het ziekenhuis in geschopt.zwaar gestoord deze vent.!!hij heeft annette meerdere malen verkracht.haar familie opzettelijk in elkaar gemept.en die kinderen zitten daar nog steeds.!!godsonmogelijk dit.!!
Ik heb de indruk dat 'lulhannes' hier hetzelfde betekent als 'klootzak'. Oldeweghuis bedoelt het waarschijnlijk een stuk minder goedmoedig dan de manier waarop 'lulhannes' gewoonlijk gebruikt wordt.

Ten slotte heb ik enkele jongeren gevraagd wat volgens hen een lulhannes is. Ik kreeg antwoorden als 'een onhandig persoon' en 'sukkel', maar niemand legde het verband met kletsmeier of praatjesmaker.

Zomaar wat googlen en enkele jongeren wat vragen is een onderzoekje van niks, ik weet het. Maar ik ga er toch een paar conclusies uit trekken:
- Het woord 'lulhannes' wordt nog steeds van tijd tot tijd gebruikt.
- De oorspronkelijke betekenis is die van leuteraar, maar tegenwoordig wordt het woord meer gebruikt in de betekenis van 'sukkel'.
- De meeste lulhannesen zijn mannen, maar soms wordt ook een vrouw 'lulhannes' genoemd
- Willem van Hanegem heeft er, onbedoeld waarschijnlijk, veel aan gedaan om het woord levend te houden. Laten we hem dankbaar zijn.


Aangetroffen op deze plaats. De foto bovenaan vond ik hier.

zondag 4 januari 2015

Niemand in de stad (Philip Huff)


Bij het werk van Philip Huff heb ik een achterstand opgelopen. Zijn debuut  uit 2009 las ik pas in 2012 en dat alleen maar omdat het moest: een leerling had het op de lijst gezet. Dagen van gras is een aardig boek, maar ook niet zo heel veel meer. Huffs tweede boek, Niemand in de stad, uit 2012 lees ik nu pas en intussen is er ook al een derde titel (Het is goed om hier te zijn) en een vierde (Boek van de doden).

Niemand in de stad lag als goedkope uitgave (€ 12,50, geloof ik) in de boekhandel. Op de voorkant een afbeelding van de auteur (vermoed ik), maar dan ondersteboven. Dat trekt de aandacht, maar verder heeft het geen functie, vermoed ik. Of moeten we in de hoofdpersoon Huff herkennen (maar dan anders)? Wolkers en Mulisch lieten ook wel eens een foto van zichzelf op een boekomslag zien, maar vooral op de achterkant, geloof ik.

De roman speelt zich geheel af in de studentenwereld; de hoofdpersonen zijn lid van het corps. Wat ze studeren wordt wel genoemd, maar dat speelt geen rol: het boek richt zich uitsluitend op wat er naast de studie gebeurt, enkele cursusjaren lang.

Hoofdpersoon is Philip Hofman, die in het Weeshuis woont, aan de Prinsengracht. Al in de proloog krijg je te lezen dat er iets is met Jacob en dat de relatie tussen Philip en zijn vriendinnetje over is. Als je het boek uit hebt en je leest de proloog opnieuw, dan is die vrij duidelijk. Maar tijdens het lezen bleef er in mijn achterhoofd vooral hangen dat er 'iets' met Jacob was. Het duurt vervolgens vrij lang voordat Philip enkele aanwijzingen krijgt dat hij zijn beeld van Jacob misschien moet bijstellen.

Natuurlijk is er drank, natuurlijk zijn er meisjes. Philip heeft al een tijdje wat met Elisabeth, maar hij raakt ook meer en meer gecharmeerd van Karen. Huff laat die relatie zich rustig ontwikkelen en verderop in het boek loopt ineens de spanning op.

Dat gebeurt bij de meeste verhaallijnen in het boek, zodat tegen het einde Philip verknoopt is in allerlei ontwikkelingen. Hij zal nu toch echt wat met zijn leven moeten.

Het studentenleven is aan de ene kant een leven van kameraadschap, al kun je niet altijd op die kameraden rekenen. Aan de andere kant is het uitstel van het werkelijke leven, waarin verantwoordelijkheden genomen moeten worden.

Bij een lustrumreceptie zegt iemand die terugkijkt op zijn studententijd:
Vroeger (...) spraken we in 't jaar over heel veel dingen niet. Wel over wat je wilde doen als werk, over wat je ging doen met je geld, over wat je wilde met je leven. Maar over de werkelijke dingen, daar spraken we gewoon niet over. Nu, nu doen we dat wel.
Dat is wat Philip ook ervaren heeft. Veel belangrijke dingen, bijvoorbeeld tussen hem en Jacob, zijn ongezegd gebleven. Een paar keer heeft hij de kans gehad om erover te beginnen, maar hij heeft die kans steeds voorbij laten gaan.

Door het hele boek heen duiken relaties op tussen vaders en zonen. Meestal zijn die niet zo goed. In Dagen van gras is er ook al sprake van een afwezige vader. Philip heeft met zijn vader gebroken, de relatie tussen Jacob en zijn vader is niet denderend en Philips maatje Matt kan nog vlak voor het sterven van diens vader bij hem op bezoek gaan.

De relatie met de vader/zoon lijkt me een thema waar Huff nog niet mee klaar is. We zullen het nog wel eens terug zien komen. Het onder ogen zien van wat je van je leven hebt gemaakt en nog moet gaan maken, komt ook terug in zijn laatste roman, heb ik begrepen, maar dat boek moet ik dus nog gaan lezen.

Huff weet een verhaal helder te houden, ook als iemands drijfveren dat niet altijd zijn. Daardoor leest zijn werk prettig en gemakkelijk. De dialogen zijn goed, de typeringen zijn in orde. Zijn werk doet 'licht' aan, terwijl de thematiek dat niet is. Dat is een mooie combinatie.

De titel kwam ik één keer letterlijk in het boek tegen. Philip heeft een baantje bij het casino. Hij vindt dat er meer gedaan moet worden om gokverslaafden tegen zichzelf te beschermen. Maar het casino moet natuurlijk ook geld verdienen. Iemand die boven hem geplaatst is, zegt: 'Nee, heus, er is niemand in de stad die zich meer om deze mensen bekommert dan wij.'

We weten dat het maar woorden zijn. Maar hoe is het met Philip zelf? Hij bekommert zich om de spelers, maar hoe gaat hij om met de mensen in zijn omgeving? Met Jacob? Met Karen en Elisabeth? Ongetwijfeld heeft hij zich om hen bekommerd, maar hebben ze er ook iets aan gehad?

De titel zou ook kunnen verwijzen naar de mensen die Philip overhoudt. Met wie heeft hij nog echt contact? Is er nog wel iemand in de stad die werkelijk een vriend voor hem is of voor wie hij werkelijk een vriend is? Of heeft hij alleen zichzelf?

Niemand in de stad roept genoeg vragen op om nog even met je mee te reizen als je het uit hebt. Ik moet maar niet te lang wachten met het lezen van Boek van de doden. 

vrijdag 2 januari 2015

De beste romans van 2014 (die ik niet gelezen heb)




In voorgaande jaren (hier en hier) heb ik lijstjes gepubliceerd van de beste boeken van een jaar die niet door mij gelezen zijn. Het selectiecriterium is natuurlijk allereerst de natte vinger en verder wat ik intussen al wel over die boeken heb gelezen. Voor mij zijn de lijstjes ook geheugensteuntjes: welke boeken zou ik eigenlijk nog moeten lezen.

Van dat lezen komt niet altijd wat. Van het lijstje van 2013, las ik maar drie boeken, die overigens wel terecht kwamen op de toplijst van 2014. Het boek van Pfeijffer zelfs op de eerste plaats.

Ook nu zal ik wel veel goede boeken over het hoofd zien. Het zij zo. De volgende boeken zou ik eigenlijk moeten lezen. Ik zou ze in ieder geval willen lezen. Dat een lijstje tien nummers heeft, is in dit soort gevallen gebruikelijk. Eigenlijk had ik er nog een elfde bij willen zetten: Wessel te Gussinklo, Zeer helder licht. Daarom noem ik hem toch maar even.

1. Gustaaf Peek, Godin, held.
2. Kees 't Hart, Teatro Olimpico
3. Adriaan van Dis, Ik kom terug
4. Esther Gerritsen, Roxy
5. Maartje Wortel, IJstijd
6. Jan van Mersbergen, De laatste ontsnapping
7. Stefan Hertmans, Oorlog en terpentijn
8. Hafid Bouazza, Meriswin
9. Kees van Beijnum, De offers
10. Philip Huff, Boek van de doden

En als je wilt weten wat ik wel gelezen heb: kijk hier.