dinsdag 29 oktober 2013

Michel


Als je het stripboek Michel openslaat, tref je voorin niet de titelpagina aan. Het verhaal begint meteen met het hoofdstuk 'Ik ben het maar...' Dat zal bedoeld zijn als een soort proloog. Dat je na het hoofdstuk alsnog een titelpagina aantreft, compleet met opdracht en zakelijke gegevens, deed me toch wat vreemd aan.

Michel Hubeau is een man van 43 jaar, met het verstand van een kind. Hij wordt verzorgd door zijn moeder, Catherine, die 72 is. Zij is degene met wie we als lezer meeleven. De scenarist Zidrou (Benoît Droussie) laat zien met hoeveel warmte en liefde Catherine voor haar zoon zorgt, maar ook hoe ze tegen haar eigen grenzen aan loopt. Ze staat er alleen voor. Haar dochter is blij dat ze haar eigen kinderen opgevoed heeft en ze wil de zorg voor haar broer er absoluut niet bij hebben.

Michel leeft in een klein wereldje: het tv-programma Hippie Papy, het spel vier op een rij, de dvd Wulpse tweelingen, chocola en dat is het dan wel. Hij houdt van de regen en heeft een hekel aan de wind. Hij heeft driftbuien, maar ook aandoenlijk momenten.

Door hem is ook Catherines leven klein geworden. Tegen een vroegere vriendin van Michel zegt ze: 'Hij leeft zijn eigen leventje met zijn kleine verdrietjes en zijn grote pleziertjes'. En als de vriendin vraagt: 'En u, mevrouw Hubeau? antwoordt ze: 'Ik ook... ik leef zijn leventje.'

Het mooie van Michel is dat er veel ongezegd blijft. Catherine heeft zo haar gedachten, die ze voor
zich houdt. Roger (Roger Ibáñez) tekent haar dan zonder tekst. Catherine laat bijvoorbeeld haar zus en neef uit, net nadat die neef verteld heeft dat hij zijn moeder mee naar de film neemt. 'Ik verwen mijn mamaatje een beetje', zegt hij. 'Wat dankbaarheid mag wel'. Als Catherine het bezoek uitgelaten heeft, blijft ze nog even voor de gesloten deur staan. De lezer kan invullen dat ze op dat moment bedenkt dat zij zoiets van Michel nooit hoeft te verwachten.

Al eerder in het boek wordt verwezen naar het ongeluk waardoor Michel geworden is wie hij is. Ook Michel weet dat hij een ongeluk heeft gehad. In het laatste hoofdstuk krijgen we een flashback naar vlak voor dat moment. De herinnering wordt wakker gemaakt als Catherine tegen Michel zegt dat hij voorzichtig moet rijden. Meteen daarna is ze terug in het verleden.

Michel is een ontroerend boek. Het is warm, maar het schrijnt ook. Je ziet een moeder die haast boven haar macht moet leven, maar er met overgave het beste van maakt. Doorgaan - iets anders zit er niet op. Als haar dochter vraagt: 'Wat moeten we doen, mama? antwoordt ze: 'Nog een potje koffie zetten en gewoon verder doen. Wat moeten we anders?'

Roger heeft Michel getekend in een licht karikaturale stijl, die toch realistisch aandoet. Veel personen hebben een wat uitvergroot hoofd. De kleuren zijn veelal, per hoofdstuk of per bladzijde, in één gamma gehouden, zodat er geen scherpe kleurcontrasten zijn. Dat past goed bij de ingetogen manier van vertellen.

Michel is een boek om een beetje stil van te worden. En daarna wil je het herlezen.




Michel
Scenario: Zidrou
Tekeningen: Roger
Uitgeverij: Blloan
hardcover, € 14,95

Strips! 200 jaar Nederlands beeldverhaal (Margreet de Heer)


Op dit moment is er in Museum Meermanno een mooie tentoonstelling te zien over de geschiedenis van de Nederlandse strip. Ter gelegenheid daarvan verschenen er een mooi boek (waarover in een latere bijdrage) en een magazine, een strip, getekend en geschreven door Margreet de Heer.

Margreet de Heer heeft op het gebied van informatieve strips haar sporen al ruimschoots verdiend. Geregeld zijn haar getekende reportages in Trouw te zien en haar boeken Filosofie in beeld, Religie in beeld en Wetenschap in beeld hebben intussen hun tienduizenden verslagen. Ook in het buitenland is er belangstelling voor: Amerika en Brazilië hebben intussen kennisgemaakt met het werk van De Heer, in Zuid-Korea gaat haar werk verschijnen en er wordt gesproken over een vertaling in het Spaans.

Dat het werk van De Heer populair is, is niet zo vreemd. Ze verstaat de kunst om ingewikkelde zaken (religie, filosofie en wetenschap zijn daar goede voorbeelden van) helder weer te geven en dat ook nog op een onderhoudende manier. Bovendien zijn haar boeken persoonlijk: vaak loopt er een figuurtje in rond dat qua uiterlijk geënt is op de auteur. Het stelt kritische of wat peinzende vragen; vragen die de lezer zich wellicht ook stelt.

Doordat er zo nadrukkelijk een verteller rondloopt in de boeken, krijg je de indruk dat het verhaal speciaal voor jou als lezer verteld wordt, dat je zelf aangesproken wordt. De verteltoon is zo aansprekend, dat je graag luistert (en dus leest).

Dat is ook het geval bij deze geschiedenis van de strip. De Heer heeft voor elk tijdperk een andere verteller gekozen. Dat kan een kind zijn dat in die tijd de strips leest. Het dikke meisje Betje bijvoorbeeld, uit 1936, dat zo graag jam eet, vertelt ons over Flipje en Elsje uit 1967. Ze leeft helemaal in de wereld van Paulus de boskabouter. Maar het kan ook een opa zijn die zijn kleinkinderen vertelt over Sjors en Sjimmie of een boekhandelaar die een oude dame uitleg geeft over graphic novels.

Enkele keren kiest De Heer ervoor om de vertellers met elkaar te laten discussiëren en dat werkt erg goed. Zo kan ze een vergelijking maken tussen Eric de Noorman en Kapitein Rob en tussen Jan, Jans en de kinderen en De familie Doorzon.

Achter in het magazine wordt aan kinderen uitgelegd hoe ze zelf stripfiguren kunnen tekenen, waarna er nog drie bladzijden met noten volgen. Die zijn overigens ook goed leesbaar en ruim geïllustreerd.

Eigenlijk heeft het magazine maar één minpuntje: het flodderige kaftje. Dat had van zwaarder papier moeten zijn, liefst glanzend. Aan de andere kant kon Museum Meermanno de prijs van het magazine mede daardoor lager dan een tientje houden.

De expositie over de geschiedenis van de strip is nog te zien tot en met 12 januari 2014. Daar moest je maar eens naar toe. Dan kun je meteen dit magazine op de kop tikken. En daarna lekker strips lezen.

Strips! 200 jaar Nederlands beeldverhaal
Tekst en tekeningen: Margreet de Heer
Inkleuring Yiri T. Kohl
Uitgever: Museum Meermanno | Huis van het boek
36 blz. € 9,50

Margreet de Heer schrijft over deze uitgave op haar Engelstalig blog, waarop ze ook een leuk filmpje over haar magazine laat zien.
Hier zijn enkele foto's te zien die genomen zijn in het museum.





vrijdag 25 oktober 2013

Watergate. (Game Over 10)


Er zijn strips waarin de personages elke keer in eenzelfde situatie verkeren. Een beroemd voorbeeld uit het verleden is De Generaal, van Peter de Smet, die in elk verhaal probeerde de macht te grijpen en altijd mislukte dat. Iets soortgelijks was het geval bij grootvizier Iznogoedh van Jean Tabary en René Goscinny. Hij werd beheerst door maar één gedachte: hoe word ik kalief in plaats van de kalief. Elke keer meende hij bijna kalief te zijn, maar nooit bereikte hij zijn doel.

Ook bij Game Over is de startsituatie in elk verhaal hetzelfde: het figuurtje (Barbaar) bevindt zich in een computerspel en moet proberen eruit te komen. Er staan richtingaanwijzers met 'exit'. Er zijn monsters die hem bedreigen en er zijn andere hindernissen die moeten voorkomen dat zijn missie lukt.

Verder is er een meisje met een punthoed. Soms vergezelt ze hem, soms moet ze gered worden. Ze is niet zo slim en verschillende keren mislukken de missies door haar toedoen. Nooit lopen de missies goed af: ze eindigen na een of twee pagina's altijd met 'game over'.

Game Over is een uitvloeisel van Kid Paddle, een serie waarin de hoofdpersoon computerspelletjes speelt. Verder heeft hij interesse voor horrorfilms en monsters. Geregeld botst hij met zijn onderwijzer, die weinig begrip heeft voor dergelijke pupillen. De reeks Kid Paddle beslaat intussen dertien delen (en een monsterdeeltje buiten de reeks); van Game Over verscheen onlangs het tiende deel.

Game Over wordt gemaakt door een groepje mensen: Midam (Michel Ledent) tekent en schrijft scenario's. Tekeningen worden ook gemaakt door Adam, Julien Mariolle en Philippe Auger. Thitaule schrijft ook scenario's. In het op een na laatste plaatje van een episode staat altijd keurig vermeld wier werk het is. Als extraatje in dit deel krijgen we achterin twee pagina's schetsen en tekeningen van de verschillende tekenaars.

Game over is een grappige strip, vind ik, en dat zou me toch te denken moeten geven. Het einde is namelijk altijd gruwelijk. Het figuurtje vindt altijd de dood: het wordt geplet, geëlektrocuteerd, gespietst of opgegeten. Als het niet slecht met hem afloopt, gebeurt dat wel met zijn vriendinnetje.

Ik denk dat we blijven lezen, omdat in elk verhaal de suggestie wordt gewekt dat het deze keer zou kunnen lukken. Heel eventjes word je op het verkeerde been gezet. In je achterhoofd weet je dat het weer misgaat, maar enkele momenten wil je geloven dat alles mee zal zitten.

Dat gebeurt natuurlijk niet en je kunt weer terugleunen in je stoel: je bent weer in het vertrouwde patroon. Je kunt de personages losers vinden en dan is het ook niet erg dat het gruwelijk met ze afloopt. Bovendien: het is maar een spelletje en in een spelletje accepteer je veel meer dan in het werkelijke leven.

Al tien albums lang lukt het de makers ons mee te trekken in een spelletje. Met gamen kun je maar doorgaan, zoals ik weet uit de zeer nabije omgeving. Afgelopen nacht was hier in huis een LAN-party. De gamers gingen de hele nacht door en nu het 11 uur in de ochtend is, zijn ze nog steeds enthousiast bezig.

Zo zal het ook wel gaan met de strips van Game Over. Wie eenmaal als lezer het spelletje meespeelt, zal er niet gauw genoeg van krijgen.

Watergate. Game Over 10
Tekeningen: Midam, Adam, Julien Mariolle, Philippe Auger
Scenario: Midam en Thitaume
Inkleuring: Benek
Uitgever: Ballon Comics (Ballon Media)
softcover, 48 blz. € 6,50

donderdag 24 oktober 2013

Sinterklazien

Onlangs zag ik de documentaire ‘Houdt God van vrouwen?’ van Emile van Rouveroy. Hierin zien we de orthodox christelijke Hilligje Kok-Bisschop uit Staphorst, die er in haar kerk voor strijdt om gehoord te worden, ook als is ze geen man. Het is een ontroerend portret van een vrouw die keer op keer met haar hoofd botst tegen een glazen plafond, dat in haar kerk ook wel erg laag is aangebracht.

Ik moest daarbij denken aan Lilian Janse, de montere, skeelerende vrouw uit Vlissingen, die gekozen is tot lijsttrekker van de plaatselijke afdeling van de SGP. Ook de SGP heeft het moeilijk met vrouwen en als de partijleiding er niet toe gedwongen was geweest door een rechterlijke uitspraak, hadden vrouwen nooit lid kunnen worden. Nu is er dus zelfs een vrouwelijke lijsttrekker. Het glazen plafond bleek breekbaar.

Lilian Janse en Hilligje Kok zijn strijdbare vrouwen, die zich niet neerleggen bij tradities, maar in actie komen voor wat zij de goede zaak achten. Op sommige andere terreinen zouden vrouwen een voorbeeld aan hen kunnen nemen.

Zo is er al sinds meer dan honderd jaar in Nederland de traditie dat in november een bisschop vanaf een stoomboot aan land komt. Aanvankelijk was hij door slechts één knecht vergezeld, Zwarte Piet; tegenwoordig heeft hij tientallen medewerkers, die allemaal naar dezelfde naam luisteren.

Dat de hulpen van Sint Piet heten, geeft al aan dat het mannen zijn. Het schijnt dat er ook vrouwelijke Pieten voorkomen, maar die mogen niet laten merken dat ze vrouw zijn: ze houden dezelfde naam en dezelfde kleding. Sinterklaas is altijd een man.

Nu zijn er binnen het sinterklaasfeest wel wat elementen die verwarrend kunnen zijn als het gaat om de bepaling van het geslacht: Sint draagt een jurk en Piet een panty. Aan hun mannelijkheid doet dat echter niets af. Het sinterklaasfeest is een mannenzaak.

Voor zover ik weet, is er geen enkele vrouw die deze misstand aan de kaak heeft gesteld. Bij de Verenigde Naties heeft niemand geklaagd over het feit dat er een man is die mag bepalen wie de koek krijgt, wie de gard en dat een man de naaste medewerker is van deze alleenheerser. Hun symbolen, de staf en de zak, zijn nadrukkelijk mannelijk. De vrouwen hebben geen pepernootje invloed.

Maar blijkbaar is er niemand die zich daaraan stoort. Opzij zwijgt; Hedy d’Ancona en Cisca Dresselhuys laten zich niet horen; er verschijnen geen ingezonden stukken in de kranten; in de talkshows gaat het over andere onderwerpen.

Ja maar, zegt u misschien, Sinterklaas is een bisschop en daarom kan hij geen vrouw zijn. Bovendien hechten wij aan onze traditie: een witte sint, een zwarte piet en beide van het mannelijk geslacht.

Tradities veranderen. Sint is geen bisschop meer. Bij de intocht draagt hij op zijn mijter het stadswapen van Amsterdam. Ook daarin volgde de goedheiligman niet de traditie. De traditionele roe is intussen ook al verdwenen. Zo’n grote stap is de vervrouwelijking van 5 december niet.

Maar de dames zwijgen. De enige strijdbare vrouwen bevinden zich blijkbaar in SGP-kringen. We zullen het moeten hebben van Lilian Janse en Hilligje Kok, die overigens als Hilligje Bisschop geboren werd. Wanneer zij het bij de SGP tot kamerlid hebben geschopt, zal Sint zijn baard verliezen en veranderen in Sinterklasina. Of Zwarte Pieternel dan nog zwart is, zal de tijd leren. Ik gok erop dat zij (of hij) in ieder geval de zwarte kousen zal behouden.

Foto: Edwin Nieuwstraten

Andere columns over Sinterklaas:

zaterdag 19 oktober 2013

Brussel. Rider on the storm 1


Het eerste deel van de strip Rider on the storm (Brussel) gaat vliegend van start: iemand springt door een raam naar buiten en gaat ervandoor op een motor. Er wordt op hem geschoten en twee mannen, ook op een motor, achtervolgen hem. Hij ontkomt, maar raakt daarbij te water, waarin hij een flashback beleeft die hem terugbrengt naar zijn jeugd.

Het scenario van Brussel is van de hand van Géro, die ik eerlijk gezegd verder niet ken. Het hele boek door houdt hij aardig de vaart in het verhaal en er zijn steeds genoeg vragen waar we een antwoord op willen hebben.

Het verhaal begint in 1974. De jongen op de motor is Gaspard. Hij ontvlucht het huis waarin hij zijn ouders vermoord heeft aangetroffen. Grote kans dat de moordenaars het ook op hem voorzien hebben. Als hij verderop in het verhaal gaat deelnemen aan motorraces, doet hij dat dan ook onder een valse naam.

De andere verhaallijn is die van de politie. De nukkige adjunctcommissaris De Groote krijgt een vrouwelijke medewerker, inspecteur Jade Antoine. Dat staat hem duidelijk maar matig aan. Na zo'n begin volgt gewoonlijk een verhaal waarin de medewerker bewijst dat ze werkelijk van waarde is. We zullen zien of het bij Rider on the storm ook zo gaat.

Over het tekenwerk van Baudoin Deville ben ik wat ambivalent. Het is duidelijk dat hij de motoren en vooral de Kawasaki liefheeft. Steeds zijn de motoren met zorg getekend en hoe goed de tekenaar dat gedaan heeft, zullen motorkenners kunnen beoordelen, maar ik vermoed dat dat allemaal prima in orde is.

Maar een strip bevat ook mensen en daar kan Baudoin Deville minder goed mee uit de voeten. De mensen bewegen houterig en het lijkt alsof de tekenaar de houding van lichamen niet zelf voelt. Als Gaspard uit het water wordt getrokken, lijkt het of iemand hem een slap handje geeft in plaats van dat de redder hem echt aan de hand uit het water hijst.

Verder zitten sigaretten nooit goed in de mond. Het lijkt alsof eerst het complete gezicht getekend is, waarbij later de sigaret erbij getekend is. Die zit dan dus niet meer tussen de lippen geklemd. En kijk eens naar het onderstaande plaatje hiernaast: het benenwerk van Jade Antoine klopt echt niet.

Op een andere tekening wordt een kip klaargemaakt. Het is niet goed duidelijk te zien, hoe de kip vastgehouden wordt, maar als de kip ondersteboven hangt, hebben zijn poten wel een erg rare vorm en als hij rechtop hangt, zijn de vleugels langer dan de poten. Het onthoofden van de kip lijkt aardig goed te gaan, maar het bijltje komt net niet op de goede manier neer.

Het lijken maar kleinigheden, maar op den duur ga je door de onnauwkeurigheden juist op die kleinigheden letten. Dan zie je dat er iemand rondloopt in een T-shirt van de popgroep ACDC. Dat is in 1974 niet zo waarschijnlijk. De band trad toen nog alleen in Australië op en moest in Europa zijn eerste hit nog scoren.


Gelukkig zit het verhaal behoorlijk in elkaar. En motorliefhebbers zullen gemakkelijk over de bezwaren stappen als ze de fraai getekende motoren zien.


Brussel. Rider on the storm 1
Scenario: Géro
Tekeningen en inkleuring: Baudoin Deville
Uitgeverij: Daedalus
softcover, 48 blz. € 7,95

Vrijheid van onderwijs

In NRC Handelsblad van gisteren, 18 oktober 2013, las ik op pagina 2 het artikel 'Rector moet antiwesterse uitspraken terugnemen'. Het begon als volgt:
De Islamitische Universiteit Rotterdam (IUR) moet haar antiwesterse' uitspraken terugnemen, anders is de accreditatie van de school in het geding. Dat heeft minister Lodewijk Asscher (Integratie, PvdA) gisteren gezegd in de Tweede Kamer.
Het lijkt me daarom tijd om maar eens een stukje te wijden aan de vrijheid van onderwijs en de vrijheid van meningsuiting. Een accreditatie heb ik niet, dus ik heb niets te verliezen.

Voor de zekerheid heb ik artikel 23 van de Grondwet er maar even bij gepakt. Ik haal er een paar puntjes uit.
Lid 2: Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij wet te regelen. 
Docenten dienen bevoegd te zijn en een verklaring omtrent het gedrag over te kunnen leggen, lees ik in het laatste gedeelte. Ik neem tenminste aan dat die zedelijkheid niet op een andere manier getoetst wordt. Belangrijk is natuurlijk het begin van lid 2: Het geven van onderwijs is vrij.

Wat die vrijheid betekent, lezen we in lid 5:
De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting. 
Wat bedoeld wordt met de vrijheid van richting lees ik in het rapport van de commissie Huisman uit 2011. De titel van dat rapport is: 'Vrijheid van stichting. Over de mogelijkheden en consequenties van een moderne interpretatie van de vrijheid van richting bij de stichting van bijzondere scholen.' Een citaat daaruit:
Het begrip richting is ontleend aan de grondwettelijk beschermde 'vrijheid van richting', welke thans krachtens de uitwerking in wetgeving en jurisprudentie wordt gedefinieerd als de vrijheid van bijzondere scholen om in het onderwijs uitdrukking te geven aan 'een eigen religieuze of levensbeschouwelijke visie op mens en maatschappij', of zoals vorig jaar in de rechtspraak werd geformuleerd: 'een fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing'.
De twee citaten in het stukje hierboven komen achtereenvolgens uit B.P.M. Vermeulen, Constitutioneel onderwijsrecht. (1999) en een uitspraak van de Hoge Raad van 6 juli 2010 (LJN BL6719).

In het rapport wordt het laatste punt overigens bediscussieerd, in die zin dat de commissie bepleit om het begrip 'richting' niet te beperken tot godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing, maar die uit wil breiden, zodat er ook scholen met een uitgesproken pedagogisch-onderwijskundige visie onder vallen.

Terug naar artikel 23. Een groot deel ervan gaat over de gelijke bekostiging van openbaar en bijzonder onderwijs. In lid 6 lezen we nog:
Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzer geëerbiedigd.
Bij dit lid heb ik alleen het slot geciteerd. Het begin, waarnaar 'die regeling' verwijst, gaat over het waarborgen van de bekostiging.

Om het lange verhaal maar even kort te maken: als een groep mensen een school wil stichten die gebaseerd is op een bepaalde levensovertuiging, dan mag dat. Er moet natuurlijk deugdelijk onderwijs worden gegeven, de docenten moeten bevoegd zijn en het mogen geen criminelen zijn.

Als er zo'n school is, dan mag op die school die levensovertuiging natuurlijk ook uitgedragen worden. Als bij die levensovertuiging hoort dat dieren gelijkwaardig zijn aan mensen, of dat vrouwen superieur zijn aan mannen, dan zullen de docenten dat vertellen aan hun leerlingen of studenten en daartoe hebben ze het volste recht.

Nu heeft de rector van Islamitische Universiteit Rotterdam de heer Akgündüz, uitspraken gedaan die als 'antiwesters' worden betiteld. Die uitspraken staan in een artikel NRC Handelsblad, maar dat is niet digitaal toegankelijk zonder betaling. Daarom verwijs ik naar een artikel in Trouw van 17 oktober, waarin verwezen wordt naar een artikel op de website van de rector, dat gesteld is in een taal die ik niet beheers. De rector heeft ondermeer gezegd dat een dialoog met niet-moslims niet mogelijk is.

Ongetwijfeld heeft de heer Akgündüz dat gezegd op basis van zijn levensovertuiging. Dat wordt ook benadrukt in het persbericht dat de Islamitische Universiteit verspreidde:
Hierin heeft de rector, zich beroepend op de vrijheid van meningsuiting, academische onderwerpen vanuit een islamitisch-wetenschappelijk perspectief toegelicht zonder enige vorm van discriminatie, belediging, haat of afkeer jegens (geloofsaspecten van) bevolkingsgroepen tot uiting te hebben gebracht. 
Het verwijswoord 'hierin' is wat ongelukkig gekozen. Het kan alleen maar verwijzen naar het woord 'berichtgeving' in de zin ervoor en dat was nu juist 'onjuiste berichtgeving', volgens het persbericht. Maar goed, Akgündüz heeft zijn uitspraken dus gedaan 'vanuit een islamitisch-wetenschappelijk perspectief'.

Dat is toegestaan en die opvattingen mogen ook gedoceerd worden op een onderwijsinstituut dat die richting voorstaat. Natuurlijk moet Akgündüz, net als iedereen, binnen de grenzen van de wet blijven. In de tweede helft van het citaat wordt aangegeven dat men van mening is dat het geval is.

Nu heeft minister Asscher gedreigd de Islamitische Universiteit haar accreditatie af te nemen. Op grond waarvan eigenlijk? Deugt het onderwijs niet? Is er gesjoemeld met diploma's? Is er op een andere manier fraude gepleegd? Wordt de wet overtreden? Nee, dat is niet het geval.

Minister Asscher heeft zich gestoord aan de opvattingen van de heer Akgündüz. Hij heeft verklaard dat die hem tegen de borst stuiten. Dat is begrijpelijk en ik denk dat veel mensen volstrekt andere opvattingen hebben dan Akgündüz, dat ze zijn opvattingen onaangenaam of misschien zelfs stuitend vinden. Maar hij mag ze hebben en hij mag ze zelfs uitdragen, zolang hij niet de wet overtreedt door bijvoorbeeld op te roepen tot haat.

In het persbericht staat dat Akgündüz zich beroept op de vrijheid van meningsuiting. Die vrijheid hebben wij allemaal. Zolang wij de wet niet overtreden, mogen wij alle meningen verkondigen. Wij mogen zeggen dat de doodstraf ingevoerd moet worden, dat een democratie een slechte staatsvorm is, dat Nederland uit Europa moet stappen, dat vrouwen geen broeken mogen dragen, dat op zondag het zwembad gesloten dient te zijn, dat heteroseksualiteit een afwijking is, dat Lodewijk Asscher een uitstekend politicus is - het maakt niet uit, we hebben vrijheid van meningsuiting.

Natuurlijk zijn er meningen die wij liever niet horen, maar daarvoor hebben we die vrijheid juist. Voor meningen waar bijna iedereen het mee is, hebben we de vrijheid van meningsuiting niet nodig. Die is juist bedoeld om mensen met controversiële meningen te beschermen.

Akgündüz is zo iemand. Meningen moet je met argumenten bestrijden, niet met dreigementen lijkt me. Nu zal discussiëren met Akgündüz niet veel zin hebben; hij acht het gesprek met niet-moslims niet gewenst en misschien zelfs niet mogelijk. Maar laten degenen die dat niet met hem eens zijn, dat vooral zeggen.

Het is niet de bedoeling dat een minister gaat bepalen welke opvattingen in het onderwijs zijn toegestaan en welke niet. Hij mag er zijn mening over hebben, maar het staat hem niet toe er iets aan te doen. Daar zorgt de vrijheid van onderwijs voor.


Misschien ben je ook geïnteresseerd in: Participatiecontract.

vrijdag 18 oktober 2013

Blast 3. Halsoverkop



Manu Larcenet werkt al jaren aan een fascinerend oeuvre. Zijn strips over De dagelijkse worsteling zijn getekend in de stijl der dikke neuzen en dan verwacht je pret. Hoewel er best wat te glimlachen valt, zijn het in de kern ernstige boeken met een gelaagde hoofdpersoon. Ik schreef er ooit een stukje over.

Daarvoor had Larcenet ook al veel geschreven en getekend, maar voor zover ik weet, is dat niet in het Nederlands verkrijgbaar. Daarna maakte hij de indrukwekkende reeks Blast, waarvan nu het derde deel verschenen is. Hier een stukje over deel 2.

Polza is een man met een zwaar lijf. Je hebt het idee dat iemand met een dergelijk postuur zich door het leven moet slepen en dat klopt ook wel. Polza is op drift geraakt na de dood van zijn vader. Hij kreeg een visioen - hij noemt dat de blast - waarna hij als clochard is gaan leven, met alle gevaren van dien.

In deel 2 lazen we hoe Polza optrok met de gewelddadige drugsdealer Jacky. In deel 3 wordt hij gemolesteerd en verkracht; het ziet er niet best voor hem uit.

Al eerder had hij in een waan zichzelf met een mes bewerkt. Daarna was hij opgenomen. Roland, die hij daar ontmoet heeft, pikt hem nu weer op en zorgt ervoor dat Polza verzorgd wordt. Zo maakt Polza kennis met diens dochter Carole. Wat er precies met haar gebeurd is, komen we niet te weten, maar uiteindelijk wordt Polza opgepakt.

Eigenlijk is het hele verhaal een terugblik. In het heden wordt Polza verhoord. Met horten en stoten vertelt hij zijn verhaal. Dat verhaal wordt doorsneden met terugblikken naar een nog verder verleden. Zo krijgen we scènes uit de kindertijd en uit de tijd dat Polza opgenomen was.

Die scènes zijn in kleur, terwijl het overgrote deel van Blast in zwart-wit is. Ook de schilderijen die Polza vindt zijn in kleur. Het zijn aangrijpende portretten die de fundamentele angst van de kunstenaar laten zien. Doordat er zoveel in grijzen is getekend, maken de bladzijden met kleur extra indruk. Ook voor Polza behelzen ze krachtige indrukken.

Larcenet maakt in Blast  gebruik van echte kindertekeningen, die hij opneemt in zijn eigen tekeningen. Ik kan nu schrijven dat dat bijzonder goed werkt, maar dan lijkt het alsof het een trucje is dat iedereen had kunnen gebruiken. Tijdens het lezen krijg je juist de indruk dat Larcenet de vormgeving van het verhaal heeft moeten bevechten, dat hij net zo lang gezocht heeft tot hij een vorm heeft gevonden die zowel bij hem als bij het verhaal past. Dat levert een beeldroman op die alleen maar door deze kunstenaar gemaakt had kunnen worden.

Polza is niet bij uitstek een sympathiek figuur en ook doet hij wel dingen die niet deugen. Toch blijf je met hem meeleven en ben je als lezer solidair met hem. Misschien heeft dat te maken met zijn onmacht: er zijn veel omstandigheden die zijn leven bepalen en zelf moet hij maar meedrijven met de stroom. Toch vindt hij de kracht om door te gaan, om er het beste van te maken. Daarbij ontbreekt het hem aan illusies. Hij heeft niet de gedachte dat het allemaal wel goed zal komen.

Ten diepste zit er een Polza in elk van ons, vermoed ik. Alleen zijn onze omstandigheden beter. Die zorgen ervoor dat wij niet aan het zwerven slaan, dat wij ons geen wanen in het hoofd halen. Er hoeft maar weinig te gebeuren om die grens wel te overschrijden. Aandacht voor iemand als Polza is een daad van medemenselijkheid en tegelijkertijd een voorzichtig raken aan onze diepe angsten. Larcenet krijgt dat voor elkaar. Lees zijn werk. Als je durft.

Titel: Halsoverkop. Blast 3
Tekst en tekeningen: Manu Larcenet
Uitgever: Oog & Blik
Gebonden, € 24,90

Hieronder de (Franse) trailer voor dit deel van Blast, die een goede indruk geeft van het subtiele tekenwerk van Larcenet.




dinsdag 15 oktober 2013

Lang zal ze leven! (Barbara Stok)



We hebben in Nederland heel wat striptekenaars die zichzelf tot personage hebben gemaakt en die strips maken die dicht tegen de autobiografie aan liggen. Het is niet moeilijk om een rijtje op te noemen: Michiel van de Pol, Floor de Goede, Edith Kuyvenhoven, Maaike Hartjes, Gerard Leever. En dan is de lijst nog lang niet compleet.

De naam die je bij dergelijke strips misschien wel het eerst te binnen schiet, is Barbara Stok. In veel van haar strips loopt een personage rond dat eruitziet als de echte Barbara Stok. Ook innerlijk zullen personage en persoon wel aardig wat gemeen hebben, al kiest Stok natuurlijk wat ze laat zien en wat niet, wat ze overdrijft en wat ze afzwakt.

Doordat de strips zo dicht op het leven zitten, is er altijd veel herkenbaars. Stok spaart zichzelf niet en laat ook de kleine stommiteitjes zien die wij allemaal begaan en ook de verdrietjes en de gelukjes natuurlijk.

Door al die verkleinwoorden doe ik Stok tekort. Zij pakt wel degelijk ook de grote zaken aan, bijvoorbeeld het overlijden van haar zwager. Maar ook dan houdt ze klein: mensen die zwijgend op een bed zitten, de alledaagse voorvallen in een onalledaagse tijd. Juist daarin maakt ze het verdriet voelbaar.

Voor wie nog nooit iets van Stok gelezen heeft, is er nu Lang zal ze leven!, een bloemlezing uit eerder verschenen werk, aangevuld met twee nieuwe verhalen. Tegelijkertijd is er een expositie over haar in Groningen. Ze is namelijk zo'n twintig jaar striptekenaar en dat mag best gevierd worden.

Wie haar werk al wel kennen, willen Lang zal ze leven! natuurlijk ook hebben, vanwege de twee nieuwe verhalen en omdat het altijd prettig is om werk van Stok te herlezen.

Over publiciteit heeft Barbara Stok tot nu toe weinig te klagen gehad. Hoe die belangstelling soms ook vermoeiend kan zijn, laat ze zien in het verhaal 'Stripschapprijs 2009', dat gaat over de media-aandacht nadat ze de prestigieuze prijs had gewonnen. Daarna is Stok overigens dapper doorgegaan. Vorig jaar nog verscheen haar boek over de laatste jaren van Vincent van Gogh. Daar had ze ook best een penning voor mogen krijgen.

Barbara Stok is het best op de korte baan, al kan ze langere verhalen ook aan. In Lang zal ze leven! is ook het verhaal opgenomen 'Over de levensgenieter die haar angst voor de dood wil verdrijven'. Het bevat veel (getypte) tekst, met daartussendoor potloodtekeningen.

Ik snap dat de thematiek belangrijk is en ik heb het verhaal gelezen, omdat ik graag het werk van Barbara Stok lees, maar in dit verhaal heeft Stok de zaken voor mijn gevoel te weinig klein gehouden. De citaten die ze geeft, maken het traag en voegen te weinig toe. Misschien dat in dit verhaal de echte Stok haar personage toch te veel in de weg heeft gezeten.

We zullen hopen dat de wens die in de titel van het boek geuit wordt daadwerkelijk in vervulling gaat en dat we nog veel van Barbara Stok mogen lezen.

Lang zal ze leven!
Tekst en tekeningen: Barbara Stok
Uitg. Nijg & Van Ditmar
304 blz. € 19,95





Het boek van de laatste dagen (Promise deel 1)


Het boek van de laatste dagen heeft een duistere aanblik: op de voorkant staat een man die in het zwart gekleed is, bijbeltje in zijn hand, hoed diep in de ogen en naast hem een vervaarlijke hond. Dat belooft weinig goeds.

Op de eerste pagina zien we dezelfde man, in de stromende regen. Eerst alleen zijn laarzen, in een fraai camerastandpunt. Het vreemde is dat hij zijn bijbeltje in de hand blijft houden, ondanks de regen. Het houten huis met de veranda roept meteen beelden op van westerns en dat klopt ook wel: Amerika, negentiende eeuw.

De eerste pagina is sterk neergezet door scenarioschrijver Thierry Lamy en tekenaar Mikaël: je wordt meteen opgenomen in het verhaal, dat je geen gezelligheid belooft. Op de vierde pagina vloeit het eerste bloed.

Belangrijk personage is het meisje Rachel. Ze leest in Het boek van de laatste dagen, van Edgar A. Perry. Die laatste naam kennen we: Edgar Allan Poe gebruikte die toen hij zich inschreef bij het leger. Achter in de strip is het gedicht 'Het lied van de incubus' opgenomen, dat een een deel zou zijn van Het boek van de laatste dingen, Philadelphia 1832. Van Poe is echter uit dat jaar geen poëzie bekend. Ik neem aan dat het een mystificatie is.

Rachel is in ieder geval gegrepen door het boek, ze zal het de hele tijd bij zich houden. De eerste tekst in de strip bestaat uit het begin van 'Het lied van de incubus'.

De duistere man met zijn hond is een prediker; zo doet hij zich in ieder geval voor. Hij draagt de naam Laughton.  Al gauw blijkt hij de personificatie van het kwaad te zijn en tegenover hem staat Rachel, die een kind is en daarom bij voorbaat onschuldig. Onwetend is ze niet. Ze heeft het boek waaruit ze het een en ander leert, ze heeft contact met een oude medicijnman, Boa Ogoi, en ze heeft visioenen.

Rachels moeder, Margo, komt onder de invloed van Laughton en Rachel heeft in de gaten dat hij niet deugt. Zij zal het, met de krachten van het licht, opnemen tegen hem, de representant van de macht van de duisternis.

De serie waarvan Het boek van de laatste dagen het openingsdeel is, heet Promise, net als het dorpje waarin de gebeurtenissen zich afspelen. Promise is een vredig dorp, waar nooit wat gebeurt; er is geen sheriff en geen gevangenis, de dominee is overleden. Dit slapende dorp wordt flink opgeschud: er verdwijnt iemand, er wordt iemand beschuldigd van verkrachting en volgens de predikant is de verdachte ook nog bezeten door de duivel. Laughton wordt in korte tijd een invloedrijk persoon in het dorp.

Wat zal er gebeuren met het dorp dat de belofte in zijn naam draagt? Zal het in de greep van de duisternis komen of zal het licht er overwinnen? Daarover zullen de volgende delen gaan.

Het boek van de laatste dingen weet de beklemming goed vast te houden. Dat komt ook door de inkleuring, waarvoor alleen donkere tinten gebruikt zijn. Die tinten verplaatsen je bovendien naar de tijd van oude foto's in sepia of zwartwit.

In de tekst vond ik wel een vreemd elementje: de dominee zegt dat hij de mis zal opdragen en dat zou geen enkele predikant zeggen. Zegt dat iets over de mogelijk katholieke achtergrond van de scenarioschrijver? Of gaat het hier simpelweg om een vertaalfout?

Het is maar een kleinigheidje. Het boek van de laatste dingen is een krachtig begin van wat kan uitgroeien tot een interessante reeks.

Hier vind je de (Franse) trailer voor Promise

Promise 1, Het boek van de laatste dagen.
Uitg. Glénat, Ballon Media
48 blz. hardcover, € 14,95.




zaterdag 12 oktober 2013

Voor jou



'Twee vrienden van me zijn ziek, Henk en Gerard, het voelt of ik ze in Nederland heb achtergelaten. Ik wilde het eerst buiten deze verhalen houden, maar dat lukt me niet.' Dat schrijft K. Schippers op bladzijde 64 van zijn verhalenbundel Voor jou. Hij is dan in Brussel om workshops te geven aan filmstudenten. In Nederland zijn Gerard Brands en Henk Bernlef. Dodelijk ziek.

In de loop van het boek sterven de vrienden, al is dat niet het woord het dat Schippers gebruikt. Hij noemt het verdwijnen. Iets wat verdwijnt kan ook weer tevoorschijn komen en dat gebeurt ook. Ze verschijnen op de foto's die Schippers eerst moet laten ontwikkelen en hun stemmen klinken, met die van Schippers, uit de radio.

En nog weer verderop lopen ze, overleden en wel, ineens in de verhalen rond. Ze buigen zich over de papieren van Schippers en zien dat hij over hen geschreven heeft. Soms lezen ze passages die de lezer nog moet lezen. In ieder geval zijn ze er weer. Mensen van wie je houdt, mogen niet dood en Schippers houdt ze daarom in leven.

De vrienden die zich tussen en in de verhalen dringen, maken Voor jou tot een bijzondere bundel. Het is alsof niet de verhalen het belangrijkste zijn, maar de dingen die eromheen gebeuren. Dat past wel heel erg bij Schippers, die geneigd is om even opzij te kijken als iedereen vooruit kijkt. Ergens in dit boek heeft iemand het over 'de delen van de kaart waar niets gebeurt, tussen twee steden of vlak onder een meer.' Op die plekken letten we niet, als we met onze vinger over de kaart gaan. Schippers wel.

De waarnemingen en de associaties van Schippers zijn, zoals altijd, prachtig. Zeven wielrenners met zilveren helmen passeren. Daarna kijkt Schippers naar de lucht. 'Daar is nu van alles aan de gang, alsof de snelheid van de fietsers het licht aan het werk heeft gezet.'

Voor het licht heeft Schippers altijd oog en hij heeft er mooie woorden voor: 'Denk eerst dat het aan mij ligt, nee, ik ben erdoor omgeven, een zwoel en spekkig licht. Het raakt de etalages en stompe straathoeken.' Er schiet mij zo gauw niemand te binnen die me zo kan meenemen met zijn waarnemingen, die mij zo laat meekijken.

Voor jou bevat prachtige verhalen, die het geen van alle van de plot moeten hebben. Stijl, waarnemingen, sfeer - daarvoor lees ik Schippers. Veel kunst en kunstenaars: de huizen van Magritte, een vrouw die model heeft gestaan voor de schilder Balthus, Piet Moget (van wie ik nog nooit gehoord heb). Een paar verhalen waarin we weer even met onze gedachten bij Rudy Kousbroek mogen zijn.

Curiosa als het promptboek van Marilyn Monroe en de aantekenschriften van een operateur van een bioscoop, waar we anders misschien maar een korte blik op geworpen zouden hebben, worden fascinerend, nu Schippers ze voor ons opent.

Schippers' roman Op de foto uit 2012 zette ik ooit op nummer vier van het lijstje met de beste boeken uit 2012 die ik niet gelezen had. Van die tien boeken heb ik er intussen zes wel gelezen. Schippers niet en eigenlijk weet ik niet waarom, want ik vind zijn boeken altijd goed. Als er een prijs is die Schippers nog niet gekregen heeft, dan moet hem die maar snel toegekend worden.

woensdag 9 oktober 2013

'Liever niet', antwoordt de liefde


Eerlijk gezegd dacht ik dat De herfst van Zorro (2006) de vorige bundel was van Rodaan Al Galidi. Maar de man heeft in hoog tempo doorgeschreven. Na het Zorro-boek verschenen er vier nieuwe bundels, waarvan ‘Liever niet’, antwoordt de liefde de meest recente is. Tussendoor verschenen er ook nog twee romans.

De gedichten in Liever niet zijn verdeeld in twee afdelingen: ‘Jij’ en ‘Zij’. In de eerste afdeling spreekt de ‘ik’ een ‘jij’ aan, de tweede gaat over een ‘zij’, al staan ook daarin wel zinnen als: ‘Als ik hout ben / timmer van mij een piano’, die toch aan een ‘jij’ gericht lijken.
Om te benadrukken dat de afdelingen verbonden zijn met elkaar, zijn de openingsgedichten gelijk, op de jij/zij-vorm na: het ene gedicht begint dus met ‘Mijn hart is jouw slaapkamer / jouw hart is mijn slaap’ en het andere met ‘Mijn hart is haar slaapkamer / haar hart is mijn slaap.’

Verder valt bij het doorbladeren al op dat alle gedichten als titel de naam hebben van inheemse bloemen, zoals anemoon, lelie, lisdodde, lupine, kamperfoelie. Waarom voor een gedicht nu juist voor die ene bloem gekozen is en niet voor een andere, is mij niet duidelijk. Misschien is het geheel hier belangrijker: een bundel als een bloemenzee, waarin elk gedicht op zijn plekje mag bloeien. Alle gedichten gaan over een afwezige geliefde. Misschien zijn de gedichten wel de bloemen die hij haar aanbiedt. 

Dat de geliefde steeds afwezig is, is iets te stellig gezegd. In sommige gedichten is ze er wel, meestal in de herinnering. In het gedicht ‘Blauwe morgenster’ lijkt ze er in het heden te zijn. Een succes is dat niet: 

Blauwe morgenster
Ze komt niet, ze gaat niet.
Overal en nergens.
De vrouw van wie ik hou.
Ze geeft mij haar lichaam
als ik haar hart wil.
Ze geeft me haar hart
als ik haar lichaam begeer.
Ze wil wat ze niet kan krijgen
en schenkt wat niet van haar verwacht wordt.
Ze is simpel als de vrede
als ze met mij is.
Als ze vertrekt
wordt ze moeilijk als de oorlog.
Ze is de schorpioen en de blote voet,
de traan en de druppel dauw
en ik hou van haar.
Ergens, augustus vorig jaar,
nadat we gevreeën hen gedoucht hadden,
zei ze, terwijl ze haar haren droogde:
'Ik denk deze keer serieus
om in je hart te blijven.'
Ik heb haar nooit meer gezien.
Alles lijkt eenvoudig als ze er is, maar uit de tweede strofe blijkt al dat de twee gelieven niet goed op elkaar zijn afgestemd. Toch houdt de ‘ik’ van haar. Maar net nadat ze gezegd heeft dat ze in het hart van de ‘ik’ wil blijven, is ze verdwenen.

‘Blauwe morgenster’ is een vrij helder gedicht, met min of meer een verhaal. Daarmee is het niet representatief voor de bundel. Veel van de gedichten bestaan uit een tekening van de gemoedstoestand van de ‘ik’, met zinnen als: ‘Mijn keel / is een woord dat ik niet kan zeggen / en mijn borst / is een zeil dat moe is omdat ik geen zee ben.’ Vaak heeft het geen zin om de beelden rationeel te gaan analyseren. Ze lijken associatief ontstaan te zijn en je kunt ze als lezer maar beter ondergaan. Vaak snap je niet precies wat er bedoeld wordt, maar voel je wel aan welk gevoel er onder de woorden zit.

Ik herinner me dat ik indertijd iets soortgelijks had bij de bundel Litanie (1984) van Nic van Bruggen, hoewel diens poëzie massiever (en ook wat luidruchtiger) is. Maar ook die gedichten werkten het best, als je ze maar over je heen liet komen.

Dat dwingt tot een minder analyserende manier van lezen. Ik merk dat ik daardoor zinnen accepteer die ik in andere bundels zwak gevonden zou hebben: ‘Je schoonheid is mooi, / je zachtheid is zo zacht, / je nabijheid is te dichtbij, / je verte is niet te ver.’

In ‘Blauwe morgenster’ schrijft Al Galidi ‘en ik hou van haar’, wat je in een liefdesgedicht eigenlijk niet hoort te schrijven: te direct, te eenduidig, te weinig origineel. Maar Al Galidi trekt zich daar niets van aan. Het lijkt alsof hij probeert of er toch nog leven zit in versleten zinnen en vaak pakt dat goed uit.

Al Galidi is dan ook niet vies van bijna verboden woorden als ‘hart’, ‘hemel’, ‘droom’. Om de haverklap kom je ze tegen en de dichter komt ermee weg.

De titel van de bundel vinden aan het slot van het laatste gedicht:
'En nu, wat moeten we doen? Zoeken naar een andere vrouw?' vraag ik.
'Liever niet', antwoordt de liefde.
'Ik denk het ook niet', zegt de eenzaamheid.

dinsdag 8 oktober 2013

Stofzuiger

Levende advertentie voor stofzuigers, 1927
Waarom het gebeurt, is nauwelijks na te gaan, maar soms valt je een vraag in die je geheugen aan het werk zet. Dan blijkt weer hoe lastig het is om je dingen goed te herinneren. Ik vroeg me af wat voor stofzuiger mijn moeder vroeger had.

Toen mijn moeder ging trouwen, had ze ongetwijfeld geen stofzuiger. Van het geld dat ze gespaard had, had ze haar trouwjurk, de gordijnen en een weckketel gekocht. Toen was het op. In het huis dat mijn ouders zouden betrekken, lagen niet eens matten op de vloer. In de nacht voor hun huwelijk (als ik mij de verhalen goed herinner), waren er mensen uit de buurt het huis in gedrongen en die hadden als verrassing kokosmatten op de vloer gelegd.

Die matten herinner ik me nog. Je kreeg er ribbeltjes van in je knieën als je er lang op speelde. Ik vermoed dat ook in de gang een lange kokosmat lag, maar helemaal zeker ben ik daar niet van.

Mijn moeder zal in het begin de vloer geveegd hebben met een bezem, neem ik aan. De matten zullen opgerold zijn. Soms heb ik een begin van een herinnering aan een opgerolde mat, maar die is zo vaag dat ik haar niet vertrouw. Moeder zal de matten met een mattenklopper uitgeklopt hebben.

Later hadden we een stofzuiger en mijn geheugen vertelt me dat dat een blauwe was. Ik herinner me dat ik erbovenop mocht zitten als mijn moeder aan het stofzuigen was. We zullen daar ongetwijfeld bij gezongen hebben, zoals we veel deden. Misschien zong mijn moeder van 'Rocking Billy', een lied dat ik vaak uit haar mond gehoord heb. Ik weet ook nog dat ik het prettig vond om mijn hand te houden in de warme luchtstroom die de stofzuiger verliet.

De stofzuiger had geen wieltjes. Hij gleed als een slee, maar had geen beugels aan de onderkant, zoals deze. Bij alles wat ik schrijf moet ik enig voorbehoud maken, want het geheugen is per definitie onbetrouwbaar. Volgens het mijne schoof onze stofzuiger met de buik over de grond, over twee glijders, die als een soort latjes aan de onderkant zaten.

Een handvat aan de bovenkant was er wel, maar ik vermoed dat dat platter op de stofzuiger lag. Ander had ik er niet zo goed op kunnen zitten. De vorm van de stofzuiger komt wel overeen met het plaatje: een cilinder. Een latere stofzuiger had meer de vorm van een balk.

Onze stofzuiger had een stoffen zak, maar ik herinner me niet wat mijn moeder deed met de inhoud ervan. We hadden geen vuilnisbak, in mijn herinnering. Daar moet ik het later maar eens een keer over hebben. Werd de stofzak gewoon buiten uitgeklopt. Dumpte mijn moeder het stof op de mestvaalt?

De blauwe stofzuiger hadden we al in wat ik nog altijd 'het oude huis' noem, het huis waar wij tot halverwege 1969 woonden. In 'het nieuwe huis' zal er ongetwijfeld een hele reeks stofzuigers zijn geweest in de loop der jaren, maar ik kan mij ze niet meer herinneren.

Er is nog een incident geweest met het stofzuigen. Op een dag was er een vriendje op bezoek, Gerard, die we altijd Joekie noemden. Hij was veel handiger dan ik. Hij zal aangeboden hebben te stofzuigen en dat ging hij daarna ook doen. Dat ging een tijdje goed, totdat hij met de stofzuigerstang door het dakraam stootte.

Wij hadden een kamer die wij 'de keuken' noemde, hoewel daar geen aanrecht was en er niet gekookt werd. Dat gebeurde in 'de geut'. Wij leefde in de keuken. Het schuine dak begon daar al laag. Zou de muur aan de linkerkant hoger geweest zijn dan anderhalve meter? Ik vermoed van niet. De muur aan de andere kant was wel hoog.

Als je van de geut naar de keuken liep, had je meteen links een glazen theekastje staan, met daarnaast de rookstoel van mijn vader. Daarboven was een groot dakraam, dat in mijn herinnering naar binnen openging. Het had een metalen knop als een deurknop. Ik vermoed dat we het niet vast konden zetten. Als het open was, hing het raam als een glazen deur naar beneden. Daar stootte Joekie doorheen. Het was een ongeluk, natuurlijk, en ik vermoed dat mijn moeder niet boos geweest is.

Zelf heb ik ook zoiets meegemaakt, toen ik bij ome Wout en en tante Met was. Ik kwam daar nogal eens, omdat de boomgaard van mijn vader grensde aan die van ome Wout. Mijn nichtje Johanna, precies een maand jonger dan ik, en ik mochten de gang stofzuigen.

Of was het anders? Mocht Johanna stofzuigen en wilde ik dat eigenlijk doen? In ieder geval kregen wij er ruzie over. We hadden allebei de stofzuigerstang vast en geen van beiden wilde loslaten. Op een gegeven moment bonkte een van ons (wie?) met zijn of haar billen door de ruit van glazen deur tussen gang en keuken.

Hoe het precies gebeurde, weet ik niet meer. Ik geloof niet dat een van ons directe schuld had, maar ik herinner me nog wel het schuldgevoel. Ik wachtte de woede van mijn tante niet af, rende naar de deel, trok daar mijn laarzen aan en rende naar de boomgaard. Ik heb geen idee hoe het verder gegaan is. Het zal wel met een sisser afgelopen zijn.

En mijn oma's? Mijn oma van vaders kant, opoe Loenen, had niet een liggend, maar een staand model, met twee grote wielen aan de zijkanten. Het was een Holland Electro, vertelde mijn moeder mij. De stofzuiger was grijs en volgens mij was hij geheel van kunststof. Dat zal dus wel wat later geweest zijn. Begin jaren zeventig?


Opoe had ook een kruimelveger, waar wij ook wel eens mee mochten vegen. We vonden het wonderlijk dat het werkte.

En mijn andere oma, opoe Dojewèrd? Ik heb mijn best gedaan, maar ik kan mij eigenlijk niet herinneren dat ze een stofzuiger had, al heeft ze die ongetwijfeld bezeten. Ze woonde, zoals haar naam al zegt, in Dodewaard. Nou ja, eigenlijk was het Hien, maar in die tijd waren er nog geen borden waar 'Hien' op stond.

Na de dood van mijn opa verhuisde ze naar Lunteren, naar een nieuwe man. Daar zie ik haar in gedachten wel stofzuigen, maar in Dodewaard niet. Mijn sterkste herinnering is aan het samen ontbijten. Dat deed opoe heel sober: thee met droge beschuit. Als ik er was kreeg ik ook beschuiten, maar dik besmeerd met roomboter en bestrooid met suiker.

Zou opoe zoveel tijd voor mij gehad hebben dat ze domweg niet stofzuigde als ik er was? Ik weet het niet. Voor zover ik weet, zijn er geen foto's die mij kunnen helpen. Wij hadden geen fototoestel. Tante Cor had er wel eentje, maar waarom zou opoe gaan stofzuigen als tante Cor er was?

Opoes stofzuiger zal het voorlopig zonder herinnering moeten doen. Al is het altijd mogelijk dat hij ineens  omhoog plopt uit het moeras van mijn geheugen. Dan is er wellicht ineens een helder beeld en staat de stofzuiger in alle glans mij voor ogen. We zullen zien. Of niet.

Demonstratie van stofzuigers, 1959





jaren zestig
Kijk voor meer huiselijke herinneringen ook eens bij: Grote schoonmaak en Op zaterdag in de teil.
De foto van de stofzuiger van mijn oma, haalde ik van een website van een stofzuigerverzamelaar

zondag 6 oktober 2013

Kroniek van een aangekondigde dood (Knipoog 26)


In krantenkoppen wordt er nogal eens geknipoogd naar titels van literaire werken en in veel gevallen zijn dat werken van Gabriel Garcia Márquez. Al verschillende keren signaleerde ik dat in dit serietje: knipoogjes naar Honderd jaar eenzaamheid, Liefde in tijden van cholera en ook een paar keer naar Kroniek van een aangekondigde dood. Daarover schreef ik hier,  hier en hier.

Wanneer er geknipoogd werd naar Kroniek van een aangekondigde dood bleef steeds het woord 'kroniek' staan: 'Kroniek van een aangekondigde bom', 'Kroniek van een aangekondigde flop' en 'Kroniek van een mysterieuze dood'. Om de knipoog zo goed mogelijk te laten werken, wordt er slechts één woord veranderd.

In Vrij Nederland van 5 oktober 2013 waagt weer eens iemand een knipoogje naar de roman van Márquez. Boven een artikel over zelfmoord en psychiatrie schrijft Karin Sitalsing 'Dilemma van een aangekondigde dood'. 'Kroniek' wordt hier dus wel vervangen.

In de roman gaat het over de broers van Angela, die aankondigen dat ze Santiago gaan vermoorden. Iedereen weet het, maar niemand vertelt het aan Santiago. Uiteindelijk wordt hij vermoord. Uit het stukje dat Vrij Nederland net onder de titel plaatste, blijkt dat in het artikel van Sitalsing iets soortgelijks aan de hand is: 'Iedereen wist dat Chris suïcidaal was, behalve de kliniek waar hij zat.'

De kop van het artikel doet recht aan de inhoud van het stuk en de verwijzing naar de roman is ook nog eens functioneel. Een mooie knipoog derhalve.


zaterdag 5 oktober 2013

Pendragon (Excaliburkronieken, eerste lied)


De legenden rond koning Arthur zijn zo onderhand wel bekend. Goed, er zijn kleine variaties, maar in grote lijnen worden in verschillende boeken en films dezelfde verhalen steeds opnieuw verteld. Dat gebeurt ook in Pendragon, het eerste 'lied' van de Excaliburkronieken, een nieuwe stripserie.

Het scenario voor de serie werd geschreven door Jean-Luc Istin, die al eerder geschreven heeft over Merlijn. De cyclus De Initiatie is intussen in tien delen verschenen en de serie Queeste naar het zwaard is aan het verschijnen. De tekeningen zijn van de hand van Alain Brion, die we zouden kunnen kennen uit een serie als Corpus Hermeticum.

De tekeningen van Brion zijn sfeervol. Hij tekent fraaie decors, of het nu natuurtaferelen of gebouwen zijn, de mensen bewegen zich op een natuurlijke manier en de gezichten drukken goed de emoties uit. Die gezichten lichten altijd iets op, in een warme kleur. De haren van de blonde mensen springen eruit door het gebruik van gelen met veel oranje tinten.

Wel is er soms iets opmerkelijks met de inkleuring, die ook door Brion is gedaan. Het gras heeft daardoor een vreemde structuur gekregen; het deed me aan zeewier denken. In sommige plaatjes krijgen haardossen iets van een pruik en wenkbrauwen lijken soms kleirolletjes die boven de ogen zijn geplakt. Het lukt hem dan niet om een natuurlijke haarinplant weer te geven. In een enkel geval liggen de wenkbrauwen als twee naaktslakken op het voorhoofd.

Het zijn bezwaren, maar je bent geneigd die te vergeten, omdat de tekeningen je terugvoeren naar een ver verleden, met mythische kanten en dat lukt Brion moeiteloos.

Het verhaal van Istin houdt de aandacht van de lezer goed vast. Af en toe komen we ook hier eigenaardigheden tegen. We zien op een tekening Uther (die later de vader van koning Arthur zal worden), die op het punt staat zijn bebloede zwaard in een tegenstander te steken. De tekst: 'Elders levert Uther strijd tegen de andere Bretoense krijgsheren. Eigenlijk zou hij met hen de vredesbeker moeten drink, maar het is hem liever de degens met hen te kruisen om zo bloed te doen vloeien.'

De uitdrukking 'de degens kruisen' is in dezen absoluut ongepast. Degens zullen er in die tijd nog niet geweest zijn en er is een groot verschil tussen een zwaard in iemand steken en de degens met hem kruisen. De elegantie en misschien wel het hoffelijke die de laatste uitdrukking ook suggereert, ontbreekt bij waar Uther zich mee bezighoudt. Maar goed, zo'n rare uitdrukking kan een vertaalkwestie zijn.

De loop van het verhaal is bekend: Merlijn geeft het zwaard Excalibur aan Uther, In de meeste verhalen (voor zover mij die bekend zijn) steekt Uther aan het eind van zijn leven het zwaard in een steen, maar hier doet Merlijn het. Uther is dan al overleden. Intussen heeft hij wel een kind verwekt bij Ygerne (ook bekend als Igraine), die al een dochter heeft: Morgane, in andere verhalen ook wel bekend als  Morgana, Morgaine of Morgan le Fay. Zij zal ongetwijfeld in de komende delen nog een belangrijke rol spelen.

Pendragon is een gewelddadig verhaal, met veel gevechten en een vrouw die gemarteld wordt. Die scène lijkt vreemd genoeg niet getekend om de gruwelijkheid van de marteling te laten zien, maar de schoonheid van de vrouw. Het geweld lijkt me overigens in dit soort boeken onontkoombaar; het zullen harde tijden geweest zijn.

De liefhebber van dit soort halfmythische verhalen zal ongetwijfeld ook de Excaliburkronieken willen lezen, ook al is het verhaal in grote lijnen verteld. Dit soort boeken lees je niet vanwege de originaliteit, maar omdat ze aansluiten bij wat je gewend bent. Door in zo'n strip te duiken ontsnapt de liefhebber even aan de dagelijkse werkelijkheid en als hij het boek dichtslaat, laat hij het geweld en de spanning achter zich en gaat vredig een kopje koffie drinken.



Excaliburkronieken - Eerste lied: Pendragon
Scenario: Jean-Luc Istin
Tekeningen en inkleuring: Alain Drion
Uitgeverij: Deadalus
Hardcover: € 17,95
Softcover: € 9,95

vrijdag 4 oktober 2013

Slijpsel van tijd


Slijpsel van tijd, de nieuwe bundel van Bert Kooijman, is een met zorg gemaakte bundel: stofomslag, met daaromheen een folie-omslag, fraai, zwaar papier, de gedichten in bruin gedrukt, de bladzijdenummers in blauw. Alle exemplaren zijn genummerd en gesigneerd.

De bundel is verdeeld in drie afdelingen. In de eerste afdeling is het dichten in veel gedichten onderwerp: ‘Het gedicht: niet meer / dan een kronkel in het donker’. De verteller is zelf niet in de gedichten aanwezig, maar hangt er als alwetende boven. 

In de tweede afdeling is er een ‘ik’, die een ‘jij’ aanspreekt: ‘ik leg stilte aan je zij / blijf je met mijn taal / nabij’. De ‘jij’ is een geliefde, van wie de ‘ik’ gescheiden is. In verschillende gedichten zijn aanwijzingen voor haar dood en ik ben geneigd om de hele afdeling te lezen als één verhaal, één zang die aan de geliefde gericht is.

Ze is er niet meer en de ‘ik’ moet het doen met de herinnering. Dat is soms maar weinig: ‘Maar nu ben je / een echo geworden / in een trappenhuis’.  Wel spreekt de ‘ik’ de geliefde over de dood heen aan en net als Achterberg zet Kooijman zijn dichtkunst in als wapen tegen de dood: ‘want / je lichaam vergaat / wanneer ik het nooit / meer bezing.’

In de derde afdeling is er wat meer afstand, niet meer een ‘ik’ en een ‘jij’, maar een ‘hij’. De ‘hij’ lijkt dezelfde te zijn als de ‘ik’ uit de tweede afdeling en ook sluit dit derde deel aan bij de eerste afdeling: het schrijven is ook weer aanwezig: ‘Hoe hij zijn woord op tafel / legt en het openvouwt / als een blauwdruk / van het duister.’

De ‘hij’ leidt een leven dat in het teken staat van verlies en verdriet: 
Hij sleept zijn schaduw
achter zich aan, slikt
de woorden in die hem
vergrijzen en ziet
hoe de natuur bestaat
zonder aan hem te denken. 
Die natuur is overigens in alle afdelingen aanwezig. De seizoenen verglijden en vaak wijdt Kooijman aandacht aan het licht: ‘Lente laat licht paraderen / alsof het pas herboren is.’

De laatste afdeling lijkt uit te lopen op de dood van de ‘hij’: ‘Dan roepen de goden hem / aan met zijn laatste naam / en komt iemand hem tegemoet / die zijn weg uitstippelt.’ Die uitgestippelde weg zou ook nog op iets anders kunnen duiden, maar in de strofe ervoor is al de stilte getekend ‘met een kruis’.

Slijpsel van tijd is een bundel waar je het harde werk aan afziet. De dichter heeft zijn gedichten gesmeed, heeft gezocht naar de beelden en heeft de bundel hecht gecomponeerd. Jammer genoeg levert dat niet een goede bundel op.

Te vaak valt Kooijman terug op clichés. Bij verdwenen geliefden wordt wel vaker de naam nog gefluisterd, zoals in een week lied van Benny Neyman, en wel vaker vindt iemand nog een geurspoortje terug. Kooijman trekt zich daar weinig van aan en schrijf onbekommerd: ‘Nog fluister ik je naam’ en ‘Nog ben jij een geur / achtergebleven in een kast / met kleren.’

Niet alleen herhaalt Kooijman anderen, hij herhaalt ook zichzelf: op pagina 21 schrijft hij ‘maak / hoorbaar wat in je / donker zwijgt’ en zes bladzijden verder: ‘maak ik hoorbaar / wat in je donker zwijgt’. De ene keer schrijft hij ‘gedwee gewillig’ (wat veel wegheeft van een tautologie), de andere keer ‘gewillig / gedwee’.

‘Laat mij het zout van je / tranen’ zien we terug in ‘Ben ik ooit het zout / geweest in je tranen?’ en ‘Er zijn prille dagen / dat ik je liefde wil / breken als brood’ in ‘Maar jij hebt mij niettemin / het brood van je liefde / laten eten.’ Het is niet precies hetzelfde, maar het is wel gebaseerd op hetzelfde idee, zodat je als lezer de indruk krijgt dat je het allemaal al wel weet.

De beeldspraak in de gedichten schiet vaak alle kanten op: iemand kan in dezelfde strofe zowel vergeleken worden met ‘een vlam / die mij zuivert’ als met ‘een droom die / nooit verwelkt.’  Deze beelden zijn niet zo krachtig, maar zelfs als ze wel aardig zijn, willen ze met elkaar maar geen eenheid worden. Kooijman is een dichter die het moet hebben van stukjes zin, zoals ‘Hooi op de vork van hoogzomer’, maar eigenlijk nooit van een compleet gedicht.

Hoezeer de dichter ook dicht bij de lezer probeert te komen door in de ik- en de jij-vorm te schrijven, vaak zal de lezer toch onaangedaan blijven. Het lukte mij in ieder geval maar niet om betrokken te raken. Het lijkt of er geen hart klopt in de gedichten. Het zijn woorden, het is verbalisme.

Ook mis ik de eigenheid in Kooijmans gedichten. Veel te vaak lees dingen die ik overal kan lezen: bedwelmende geuren, een naam als honing, sneeuw in combinatie met stilte, ‘het goud van je dromen’, tekens die in een ‘gelaat gegrift’ worden, de koelte van een huid.

Ergens schrijf Kooijman: ‘Nu mijn woord een lege / handschoen is die ik je reik.’ Ik vrees dat hij gelijk heeft.

(Deze recensie was bedoeld voor de Poëziekrant. Na veel gedoe werd het stuk uiteindelijk niet geplaatst)

donderdag 3 oktober 2013

De onbetrouwbare Poëziekrant


Het kan raar lopen, lees maar. Een dichter stuurde mij in het voorjaar een mailtje met de vraag of ik een dichtbundel wilde recenseren van een andere dichter, Bert Kooijman. Het was voor de Poëziekrant. Dat wilde ik wel doen. Een paar dagen later had ik de bundel in huis, mij opgestuurd door Kooijman. Voor de zekerheid mailde ik naar de Poëziekrant: wist men er daar vanaf?

Van de toenmalige hoofdredacteur, Willy Tibergien, kreeg ik dezelfde dag (22 april) antwoord: hij was op de hoogte. Hij liet me meteen weten hoe lang de recensie ongeveer zou moeten zijn en dat ik er 40 euro voor zou krijgen. De deadline was 15 mei.

Dat zou mij lukken, antwoordde ik en op 29 april stuurde ik mijn recensie op. Een dag later zette ik over de bundel een stukje op mijn weblog, met dezelfde strekking als wat ik aan de Poëziekrant had gestuurd: dat ik de gedichten niet zo goed vond. In de recensie was ik uitgebreider op de bundel ingegaan.

Vervolgens hoorde ik niets meer en eigenlijk dacht ik er ook niet meer aan; ik was al bezig met het recenseren van andere boeken en bundels voor andere media. Na maanden vroeg de dichter die mij het recensieverzoek gedaan had, of mijn stuk over Kooijman al geplaatst was.

Ik had geen flauw idee. In ieder geval had ik geen bewijsexemplaar gekregen en er was ook geen geld overgemaakt, voor zover ik wist. Ik liet het nog wat sloffen, maar op 17 september waagde ik er toch maar een mailtje aan. Dat werd niet beantwoord. Op 30 september stuurde ik opnieuw een mailtje naar Tibergien en tegelijkertijd mailde ik Kooijman: of hij van iets wist.

Kooijman antwoordde mij dat Tibergien weg was bij de Poëziekrant. Ik googelde en vond de naam van Carl De Strycker, directeur van het Poëziecentrum. Ik legde hem de situatie uit en stuurde de correspondentie mee die ik met Tibergien gevoerd had.

De Strycker reageerde opmerkelijk. Hij vertelde dat hij tot het vorige nummer zicht noch greep had op de Poëziekrant, en dat hij mij dus niet kon helpen. Hij vond het vervelend voor mij, maar hij geloofde dat het hier om 'een slechte afspraak' met de heer Tibergien ging en dat hij daar niets aan kon doen.

Ik antwoordde De Strycker dat mij niet duidelijk was wat hij met 'een slechte afspraak' bedoelde. Volgens mij was voor beide partijen duidelijk wat er afgesproken was en hield ik me aan mijn deel van de afspraak. Weliswaar had ik een afspraak gemaakt Willy Tibergien, maar niet met hem als privépersoon, maar als hoofdredacteur van de Poëziekrant. Dat wil zeggen dat ik een afspraak had met de Poëziekrant. De recensie voegde ik toe en ik sprak de verwachting uit dat het stuk alsnog geplaatst en betaald zou worden.

Carl De Strycker reageerde: hij vond dat hij niet verantwoordelijk gehouden kon worden voor een afspraak die niet met hem gemaakt was en dat Tibergien verantwoordelijk was. Daarbij ging hij voorbij aan het feit dat ik een afspraak had met de Poëziekrant.

Goed, het gaat maar om een enkele recensie en slechts om 40 euro, maar het had ook kunnen zijn dat ik een stoffeerdersbedrijf had gehad en dat Tibergien mij gevraagd had om nieuwe vloerbedekking in de redactielokalen te leggen. Ook dan had ik naar mijn centen kunnen fluiten: De Strycker zou gezegd hebben dat die opdracht niet door hemzelve was verstrekt.

Hoe Tibergien vertrokken is bij de Poëziekrant is mij niet bekend, maar ik vermoed dat dat niet vredig is gegaan. Hij moet het wel heel bont hebben gemaakt, nu blijkt dat de nieuwe redactie geen enkele afspraak wil nakomen die namens de Poëziekrant door Tibergien is gemaakt. Destrycker doet voorkomen alsof Tibergien zijn afspraken als privépersoon heeft gemaakt, maar Tibergien ondertekende zijn mails met onder zijn naam 'Hoofdredacteur' en ik kan die niet anders interpreteren dan  als 'Hoofdredacteur van de Poëziekrant'.

Destrycker laat duidelijk merken dat hij niets, maar dan ook niets met Tibergien te maken wil hebben. Zelfs de afspraken die de hoofdredacteur indertijd gemaakt heeft, blijken niet geldig te zijn. Alleen de afspraken die de directeur van het Poëziecentrum zelf gemaakt heeft, wil hij nakomen.

Van het Poëziecentrum weer ik nagenoeg niets en van de Poëziekrant eigenlijk ook niet, al heb ik er in het verleden wel voor geschreven. Het zou me niets verbazen als het een eenmanszaakje blijkt te zijn. Ik kan mij in ieder geval moeilijk voorstellen dat er mensen onder De Strycker willen werken. Iemand die zo nadrukkelijk afstand neemt van zijn ondergeschikten, iemand die zo duidelijk zegt dat alleen hij de zaak mag vertegenwoordigen en dat de rest van het personeel zich niets moet verbeelden, lijkt me geen prettige werkgever.

Juridisch klopt er van de gang van zaken natuurlijk geen hout. Andere bedrijven zullen gelukkig deze manier van werken niet kopiëren. We hoeven bijvoorbeeld  niet bang te zijn dat de stroom afgesloten wordt, omdat we niet een afspraak hebben gemaakt met de directeur van het energiebedrijf en de man die ons als afnemer heeft genoteerd met pensioen is gegaan. De post en de krant worden gewoon bezorgd, ook als er wisselingen zijn bij het personeel.

Ik maak me wel zorgen om de abonnees van de Poëziekrant. Hebt u zich persoonlijk opgegeven bij Carl De Strycker? Nee? Oei, dan hebt u 'een slechte afspraak' gemaakt. Uw abonnement is niet geldig.

Naschrift
Zojuist komt er een mail binnen van de heer De Strycker, waarin hij uitlegt dat hij begrip heeft voor de situatie en me een vergoeding van 30 euro aanbiedt. Dat is een mooi gebaar.
Wel zegt hij dat hij zich niet verantwoordelijk voelt voor de afspraken die eerder gemaakt zijn. Dat blijf ik zeer kwalijk vinden.
De volgende dag ontvang ik een mail waarin De Strycker zegt zich aanbevolen te houden voor recensies van mijn hand. Dat is grootmoedig. We verschillen van mening, maar zand erover.

De recensie is intussen op Bunt Blogt geplaatst: hier.


dinsdag 1 oktober 2013

Het verhaal van de Great Eastern (Special Branch dl.1)


Er zijn al heel wat films, tv-series en strips gemaakt over detectives; ik hoef de namen niet eens te noemen. Het aantrekkelijke ervan is in de eerste plaats de persoon van de detective met zijn eigenaardigheden, zwakheden en kwaliteiten. En verder is het voor de kijker of de lezer natuurlijk mooi dat hij mee kan denken: er is een raadsel en dat moet opgelost worden.

De nieuwe serie Special Branch plaatst ons terug in het verleden. Het eerste deel, Het verhaal van de Great Eastern begint in 1889. Het moet een duistere tijd geweest zijn, te oordelen naar de tekeningen van Hamo, die ze zelf inkleurde. In alle plaatjes overwegen donkere tinten: nachtscènes, plekken waar het buitenlicht niet kan komen, mensen met donkere kleren aan. Vaak lichten alleen de gezichten van de personages wat op.

De speurders zijn Robert en zijn zus Charlotte Molton. Robert is lid van Special Branch, de geheime politie. Zijn zus is arts en antropoloog en heeft hem al vaker bijgestaan in moeilijke zaken. Hun hulp is ingeroepen door inspecteur Pilaster uit Liverpool. Bij de ontmanteling van het legendarische schip Great Eastern is een lijk ontdekt, dat er al jaren gelegen moet hebben. Het wonderlijke is dat het een foto bij zich heeft met daarop een bekende figuur.

Drie nachtwakers treffen kort voor de ontdekking een gewapend persoon aan op de plaats van de vondst. Daarna blijken ze hun leven niet meer zeker te zijn. Robert en Charlotte komen stukje bij beetje verder met hun onderzoek, maar zal het ze lukken om de getuigen te vinden die ze nodig hebbben?

Het scenario van Roger Seiter volgt een vrij traag verteltempo. Dat is overigens in het geheel niet storend. Je hebt het idee dat het wel past bij de tijd waarin men zich te voet of per koets verplaatste. Het kuierende tempo zou iets gemoedelijks kunnen hebben, wanneer je je niet voortdurend bewust was van een dreiging. Er zijn mensen bezig om het onderzoek te dwarsbomen en de getuigen uit de weg te ruimen. Mogelijk is er een hooggeplaatste persoon betrokken bij de moord. Het zal niet makkelijk om dat aan het licht te krijgen.

Een goed verhaal vertellen - dat is Roger Seiter wel toevertrouwd. Hij oogstte al waardering met de series Fog en His Majesty's Ship. De tekenaar Hamo heeft sfeervolle tekeningen bij het verhaal gemaakt. Soms, bij bijvoorbeeld een vloer, maar ook bij kapsels, zijn de potloodlijnen niet geïnkt en schemeren ze door de inkleuring heen. Dat werkt goed.

Het verhaal van de Great Eastern is een mooi begin van een reeks. In het Frans zal het vierde deel in 2014 verschijnen. We hebben dus nog het een en ander voor de boeg.

De trailer voor het eerste Franstalige deel.