donderdag 31 januari 2013

26 maart 1966

Het is 26 maart 1966, Joost den Draaijer presenteert de top 40. Mijn oude oren horen het op dit moment. Mijn jonge oren hadden het kunnen horen toen ik zes was, maar ik weet niet zeker of wij toen al een radio hadden. En dan zou die radio zeker niet de wereldse muziek van Veronica hebben laten klinken.

Het was koud die dag. Voor het gevoel vroor het en de zon scheen nauwelijks. Het is mij niet bijgebleven. Ik zal binnen bij de houtkachel gespeeld hebben met mijn autootjes of op de divan gelegen hebben met een boekje.

De dag ervoor was mijn vader zesendertig geworden. Het zal gevierd zijn, met taart en sigaretten in glaasjes op de tafel. Tantes lepelden boerenjongers en ooms morsten sigarenas tijdens het vertellen van sterke verhalen.

Mijn zusje was bijna vijf, mijn broertje bijna twee, mijn moeder nog geen dertig. Het is onvoorstelbaar, maar ooit sprak het vanzelf. Zoals Joost den Draaijer vanzelfsprekend de top 40 presenteerde. Hij zou vertellen dat Nancy Sinatra voor de tweede week op de eerste plaats stond. These boots are made for walkin'. En op dat moment wist nog niemand dat ze ook de drie weken daarna boven aan de lijst zou staan.



Voor wie een uur naar Joost wil luisteren (voor zo lang het bestand beschikbaar is): hier te downloaden.


maandag 28 januari 2013

Genoeg christelijke literatuur van niveau?

Vandaag schreef boekhandelaar Willy Wouters in het Reformatorisch Dagblad een artikel onder de titel 'Genoeg christelijke literatuur van niveau', waarvan de strekking nogal verschilt van mijn artikel, waarboven de opmaakredacteur zette: 'Christelijke lezer moet buiten het eigen straatje kijken'. Ik schrijf daarin: 'Uit de protestantse hoek is er geen enkele auteur die zich kan meten met de top van de seculiere auteurs, laten we zeggen Arnon Grunberg, Thomas Rosenboom en A.F.Th. van der Heijden.' Het was maar een greep hoor, die drie namen. Ik had ook Cees Nooteboom, Jeroen Brouwers en Remco Campert kunnen noemen, om maar eens een andere generatie te nemen.

Grunberg? Rosenboom? Van der Heijden? Daar kan Wouters wel wat naast zetten. Lisette van de Heg bijvoorbeeld, wier uitgever zegt dat een van haar boeken niet als literatuur bedoeld is; Rien van den Berg, die zelf zegt dat zijn Aslanderboeken niet als literatuur bedoeld zijn; Maria Rosseels bijvoorbeeld, die al dood is.

Goed, goed, als de doden meetellen, dan heeft Wouters gelijk: Vondel, Huygens, Bredero waren uitstekende schrijvers en nog gelovig ook. Ik kan niet meteen een seculiere schrijver uit hun tijd noemen die hetzelfde niveau haalde. Maar ik ging ervan uit dat we het over hedendaagse literatuur van christenen zouden hebben.

En dan komt Wouters met een stel buitenlandse auteurs. Ze heeft ongetwijfeld gelijk, maar ik wil het even over de situatie in Nederland hebben. Kom op, noem een auteur wiens boek kan wedijveren met het laatste van Tommy Wieringa, Peter Buwalda of Toine Heijmans. Een christelijke Tomas Lieske, Leon de Winter of Jan van Mersbergen. Dit zijn de paarden; zorg maar voor de ruiters.

Willem Jan Otten, Vonne van der Meer en Désanne van Brederode noemde ik zelf al. Een boek als Specht en zoon van Otten, doet niet onder voor bijvoorbeeld VSV van Leon de Winter. Maar zijn boek noemt Wouters juist weer niet.

Volgens Wouters is het een uiting van 'cultuurpessimisme' als ik beweer dat de meeste van de door Wouters genoemde schrijvers niet of nog niet het niveau hebben waarover we tevreden kunnen zijn. Ik ben niet pessimistisch. Ik heb auteurs genoemd die nog in ontwikkeling zijn en die, naar mijn inschatting, hun beste boek nog moeten schrijven. 'Er is wel groei mogelijk', schreef ik.

Wouters geeft toe dat de christelijke auteurs 'inderdaad geen hoog waaggehalte' hebben. 'Ze hebben de neiging de realiteit te verbloemen omdat er altijd hoop moet zijn en het happy end bereikt moet worden.' Ze geeft toe dat dat een manco is. Sterker nog: boeken die de werkelijkheid verbloemen en die geschreven worden met de bedoeling van een happy ending, zijn bij voorbaat oninteressant. Boeken zonder 'waaggehalte', veilige boeken dus, zijn misschien goed voor op het nachtkastje omdat je er zo gemakkelijk bij in slaap valt. Kwaliteitsboeken kunnen het niet zijn.

'Toch zit er verbetering in', schrijft Wouters. Vertel, mevrouw Wouters, ik ben benieuwd. Ach, het blijkt een losse flodder te zijn, een bewering zonder onderbouwing. We moeten het blijkbaar geloven op gezag van Wouters.

'Dat deze boeken niet doordringen in de seculiere literaire wereld heeft meer te maken met vooroordelen dan met niveau. De "Vijftig tinten grijs"-trilogie ontbeert elk niveau en daarvan zijn meer dan een miljoen exemplaren verkocht." Dat is een wel heel rare redenering: verkoopcijfers gelijk stellen aan 'doordringen in de seculiere literaire wereld'. Dus ook Gijp is doorgedrongen in de seculiere literaire wereld. En Haar naam was Sarah ook. En alle boeken van Sonja Bakker. Hou op, schei uit!

De boeken van James zijn, voor zover ik weet, afgekraakt of genegeerd in 'de seculiere literaire wereld'. Wel is James geïnterviewd en is het fenomeen dat haar boeken zo grif gekocht worden door veel kranten aan de orde gesteld. Maar ik heb nergens gelezen dat de boeken literair zo hoogstaand zijn.

Nog even over dat zinnetje 'Dat deze boeken niet doordringen in de seculiere literaire wereld heeft meer te maken met vooroordelen dan met niveau.' Weer een bewering die niet beargumenteerd wordt en ik geloof er geen bal van. Wat zou dan het vooroordeel moeten zijn? Een boek is niet goed omdat het uit de christelijke hoek komt? In de Volkskrant van 12 januari las ik iets wat een heel andere kant op wijst: 'Désanne van Brederode schrijft zo innemend over het geloof dat ook ongelovigen of niet-zo-gelovigen er sympathie voor moeten opvatten.'

Ik denk dat het christelijke literaire wereldje genoeg in een hoekje heeft zitten miezen dat het niet mee mag spelen met de grote jongens. Altijd ligt het aan de anderen. De trainer van het voetbalteam  uit Knollen-Buiten vond het ook al vreemd dat Ajax geen enkele waardering had voor zijn spelers, terwijl het toch zulke leuke voetballers waren. Schuld van Ajax natuurlijk. De trainer had ook kunnen kijken naar wat hij zelf kon doen, hoe hij zijn spelers beter kon laten voetballen. Wat goed is, komt er wel.

Kijk eens naar de dichters! Dat Hilbrand Rozema een uur lang in Kunststof te horen was, had te maken met de kwaliteit van zijn werk en nergens anders mee. Dat Komrij gedichten van Geerds opnam in zijn bloemlezing: kwaliteit. Dat er werk van christelijke dichters terechtkwam in de jaarlijks verschijnende selectie De beste gedichten van...: kwaliteit.

Natuurlijk worden er wel eens christelijke auteurs over het hoofd gezien. Dan kun je een pruillip trekken, maar je kunt je ook afvragen of deze auteurs niet misschien wat beter onder de aandacht gebracht moeten worden.

Dat boeken van christenen niet overal juichende recensies krijgen, ligt echt voornamelijk aan de kwaliteit. Ik snap natuurlijk wel dat mevrouw Wouters de boeken die ze noemt, bestempelt als goede boeken. Ze is boekhandelaar en ze moet het spul verkopen.

Ik heb de indruk dat de schrijvers zelf veel bescheidener zijn. Zij weten dat er hard gewerkt moet worden en dat ze er nog lang niet zijn. Dan helpt het niet erg als er iemand vanaf de tribune gaat roepen dat je best hoog gesprongen hebt als je met je vingers de lat hebt geraakt in plaats van dat je eroverheen hebt gesprongen.

Laten we met zijn allen er alles aan doen om de christelijke literatuur op een hoger niveau te tillen. Velen zijn van goede wil. Maar met roepen dat we zo goed zijn, komen we niet verder.

Kopstukken uit de christelijke literatuur

Lijstjes zijn altijd heerlijk. Onlangs publiceerde ik er drie over de literatuur in 2012. Zaterdag stond er in het Reformatorisch Dagbladeen lijstje met 25 'Kopstukken uit de christelijke literatuur'. De nummering gaat tot 24, maar Willem Jan Otten en Vonne van der Meer delen een plek. Het is een leuk lijstje, geschreven door Enny de Bruijn en Rudy Ligtenberg, met een twinkeling in het oog en een grijns om de mond.

Maar het is ook een beetje een vreemd lijstje. Degenen die genoemd worden, zijn meestal niet opgenomen omdat ze zelf literatuur schrijven, maar omdat ze zich met literatuur bezighouden: uitgevers, recensenten, een boekhandelaar, bestuursleden van organisaties die met de christelijke literatuur te maken hebben, redactieleden van tijdschriften, voorzitters van schrijversverenigingen. Daartussendoor staan her en der wat schrijvers.

Prozaschrijvers zijn goed vertegenwoordigd: Janne IJmker, Willem Jan Otten, Vonne van der Meer, Joke Verweerd en Els Florijn. Désanne van Brederode ontbreekt. Er staan wel meer prozaschrijvers in het lijstje, maar mensen als Hans Werkman of Rien van den Berg staan er niet in de eerste plaats als prozaïst in, neem ik aan.

De dichters zijn bijna geheel overgeslagen. Degenen die erin staan (Jaap Zijlstra en Len Borgdorff) zouden waarschijnlijk ook genoemd zijn als ze geen gedichten hadden geschreven. Ze zijn respectievelijk voorzitter van Schrijverscontact en redactievoorzitter van Liter. Bij nummer 25 worden nog kandidaten genoemd, waaronder Menno van der Beek. Maar waar zijn Henk Knol, Hilbrand Rozema en Koos Geerds? En dan noem ik alleen nog maar de meest prominente dichters.

Bij de genoemde kandidaten trof ik ook Lisette van de Heg aan. Van haar heb ik nooit iets gelezen, maar toen het boek Noor werd aangevraagd om gerecenseerd te worden in Liter, weigerde de uitgever (Peter van Dijk, ook in het lijstje), omdat het boek niet als literatuur bedoeld was.

Enny de Bruijn is bescheiden. Onder aan het lijstje staat bij de kandidaten 'En wijzelf natuurlijk'. Maar Enny verdient natuurlijk een prominente plaats in de lijst. Nadat zij bij het Reformatorisch Dagblad kwam, is de literatuurkritiek in die krant veel en veel beter geworden. Als biograaf heeft ze recensies met vijf sterren gekregen en als er iets gebeurt op het gebied van de christelijke literatuur zonder dat Enny erbij is, telt het eigenlijk niet.


donderdag 24 januari 2013

Doping

Nu Lance Armstrong een verklaring heeft afgelegd over zijn dopinggebruik, krijgen we van steeds meer wielrenners te horen wat zij toegediend kregen om beter te presteren. Het lijkt me daarom redelijk dat ook ik een verklaring afleg.

Al ruim dertien jaar lees ik hier mijn columns voor. In al die jaren heeft de voorzitter van Dante mij nimmer stiekem pillen toegestopt, de medisch verzorger van het cultureel café heeft nooit flesjes in mijn koelkast gezet en nooit hoefde ik naar Italië voor een bloedtransfusie. Zelfs mijn beste columns zijn niet geschreven met bloed met een te hoge hematocrietwaarde. Eigenlijk durf ik wel te zeggen dat ik altijd clean geweest ben.

Goed, ik heb wel eens twee koppen koffie gedronken, voordat ik opkwam en ik heb ook wel eens flink aan de koffie gezeten als ik aan het schrijven was. Ik weet niet precies hoeveel cafeïne toegestaan is, maar ik had het idee dat ik daarbij wel aan de veilige kant gebleven ben.

Bovendien ben ik door Dante nooit gedwongen om koffie in te nemen. Ik ben wel altijd ruimhartig voorzien van consumptiebonnen, maar daar had ik ook sinas of chocomel van kunnen kopen.

Dat ik nooit gebruik gemaakt heb van stimulerende middelen komt niet doordat ik zo integer ben en het was ook niet uit schijterigheid. Maar op het amateurniveau waarop ik mij beweeg, doet doping er helemaal niet toe. Bij een wielrenclubje in de vierde klasse onderbond wordt er ook niet gespoten of geslikt.

Dat is meer iets voor de grote jongens, voor wie er veel op het spel staat en in wie de sponsor grote bedragen heeft geïnvesteerd, die ook weer terugverdiend moeten worden. Dan maakt het nogal wat uit of je eerste of zevende wordt en ik snap dan ook wel dat die wielrenners er alles aan hebben gedaan om te winnen. Dat mag niet en dus moet je erover liegen.

Nu Lance Armstrong uiteindelijk eerlijk opgebiecht heeft dat hij gedrogeerd zijn zeven Tours gewonnen heeft, zijn mensen ineens boos en dat snap ik weer niet. Stiekem wisten we toch al dat alle renners in de Tour flink onder de epo, de cortisone, de haarlemmerolie en de yakult zaten? Niet Armstrong heeft ons bedrogen, maar wijzelf hebben ons bedrogen, door onszelf wijs te maken dat die wielrenners alleen op borden macaroni en op bananen die bergen op konden fietsen. Wij geloofden in illusies en we worden boos als die doorgeprikt worden.

We willen nu eenmaal graag in sprookjes geloven en zijn teleurgesteld als blijkt dat Roodkapje, Assepoester en Doornroosje in het echt helemaal niet bestaan. Daar kun je teleurgesteld over doen, maar dat is zonde. Ik weet ook best dat Sinterklaas niet bestaat, maar met veel genoegen denk ik terug aan de tijd dat ik echt geloofde dat er een bisschop met zijn paard over het dak reed, al zal ik ook toen al wel ergens diep vanbinnen geweten hebben dat een paard helemaal niet over de nok van het dak kan lopen en dat Zwarte Piet nooit door de schoorsteen past.

Laten we dus met weemoed de beelden terugkijken van de rondes die Armstrong gewonnen heeft. Laten we ons verbazen over het gemak waarmee hij tijdens een helse bergbeklimming ontsnapte uit de kopgroep. Hoe licht pedaleerde hij naar de finish, terwijl de stumpers achter hem bonkend en hobbelend zich aan hun stuur meter voor meter de berg op trokken!

We hoeven ons het sprookje niet af te laten nemen, ook niet als al duidelijk is dat het maar een sprookje is. En dat geldt niet alleen voor het sprookje van de jongen met de gele trui. De vrouw die we ’s ochtends wakker kussen is ons eigen Doornroosje en we zijn eventjes de prins. Daar wil ik graag in blijven geloven, desnoods tegen beter weten in.

Straks is het pauze en dan zal ik weer een bak koffie bestellen en misschien nog wel eentje. Van koffie word je wakker, zeggen ze. Maar hoeveel koffie je ook drinkt, altijd zul je je dromen houden.

Niet de koffie, niet de epo, niet de anabole steroïden, maar je dromen zijn de doping waarmee je in het leven bergop kunt blijven gaan. Vooral kunst kan onze dromen voeden, wat betekent dat u hier, op deze avond, druk bezig bent doping tot u te nemen. Wees gerust: het is volledig legaal.

(Column, voorgelezen in cultureel café Dante)


foto door Edwin Nieuwstraten




woensdag 23 januari 2013

Het laatste gezicht.



Thrillers heb ik maar weinig gelezen. Meestal vervelen ze me. Ooit ben ik wel begonnen aan een zogeheten 'literaire thriller', maar daar bleek weinig literairs aan. Wel las ik indertijd Aslander van Rien van den Berg en wijdde daar een stukje aan. Ik vermoedde toen al dat er meer Aslanders zouden volgen en intussen is het tweede deel er: Het laatste gezicht. 

In het eerste deel wordt er voornamelijk gepraat en gebeurt er weinig. In Het laatste gezicht is er gelukkig meer handeling: er is een seriemoordenaar aan het werk en een lid van het 'team Aslander' wordt daarvan het slachtoffer. Dat had tot gevolg dat ik in ieder geval door wilde lezen lezen.

Dat gaat ook vrij vlot, want Van den Berg houdt van korte hoofdstukjes. Verschillende keren was het mij wel onduidelijk waarom hij een nieuw hoofdstuk begon, terwijl het verhaal gewoon doorliep. Stilistisch is het boek niet zo bijzonder. Zinnen als 'de vrouw produceerde een beleefde glimlach' en 'Aslander kon een grijns niet onderdrukken' zijn nogal duf.

Maar de Aslanderboeken zijn uitdrukkelijk niet literair bedoeld en moeten als zodanig dus ook niet beoordeeld worden. Op de flap staat over de eerste Aslander dat het een 'strak literair prozadebuut' zou zijn, wat een beetje een vreemde typering is. Maar dat was dan ook een recensie in de krant waarbij Van den Berg redacteur is.

Het laatste gezicht is een detective en als zodanig is het wel geslaagd, geloof ik. Er moet een misdaad opgelost worden en je wilt als lezer wel weten hoe dat allemaal zal gebeuren. Er wordt wel veel gepraat in het boek, maar daar lees je toch nog aardig snel doorheen.

Als de misdaad opgelost is, is de spanning ook wel uit het boek. Daarna zakt het helemaal in elkaar. Er volgen nog zes hoofdstukken waarin het tempo helemaal weg is en waarin de schrijver nog moeizaam probeert wat verhaallijntjes aan elkaar te knopen. Zo'n slot bederft veel. Eigenlijk hoeven de laatste zes hoofdstukken niet gelezen te worden. Na hoofdstuk 43 volgt er alleen nog maar uitleg en gepreek. Dat had ik graag gemist.


dinsdag 22 januari 2013

Pierre H. Dubois over Remco Campert (1961)


In 1961 verscheen Het leven is vurrukkulluk, het romandebuut van Remco Campert. Pierre H. Dubois besprak het in Het Boek van Nu. In de inleiding van zijn recensie laat Dubois meteen zijn enthousiasme blijken:
Het is misschien geen meesterwerk, maar het is een allerplezierigst en voortreffelijk boek, dat men met ononderbroken genoegen leest, hetgeen men werkelijk niet van iedere roman die op het ogenblik verschijnt, kan zeggen. 
Hij noemt Vurrukkulluk 'een spontaan boek', waarbij hij aantekent dat hij natuurlijk niet weet of Campert met veel of weinig moeite het boek heeft geschreven. Die moeite is in ieder geval niet aan het boek af te zien.
Bijna achteloos, en tegelijk sierlijk, met een weinig voorkomende kunstigheid, die volmaakt ongekunsteld is en een talent openbaart, zoals we er in ons land eigenlijk geen ander vergelijkbaar kennen.
Ik vermoed dat Dubois hiermee niet bedoelt dat jonge schrijvers als Hermans en Mulisch minder talent zouden hebben dan Campert, maar dat dat een ander talent is. Nadat Dubois geconstateerd heeft dat Camperts roman 'door en door dichterlijk' is vertelt hij nog maar eens dat Campert een bijzonder boek heeft geschreven.
Er zijn maar weinig auteurs in ons land in staat om met een zo argeloos handgebaar zoveel leven op het papier te brengen.
Dubois vertelt iets over de verhaallijn, die hij 'eenvoudig' noemt en vindt in het boek steeds 'de sfeer van het "understatement"'. Hij legt uit dat Camperts ironie 'te gevoelig is om genadeloos sarcasme te worden, maar ook niet te spits en te spiritueel om louter goedige humor te worden.'

De personages Mees en Boelie ziet Dubois als twee kanten van één en dezelfde figuur, 'die Campert zèlf is, niet autobiografisch, maar een personage dat zijn eigen geaardheid meekrijgt [...]' Wat de twee personages gemeen hebben, is volgens Dubois 'de eenzaamheid van het isolement'.

Het leven is vurrukkulluk heeft ook een documentaire waarde, vindt Dubois: het geeft een beeld van een generatie, die 'zo concreet, spontaan, intuïtief, instinctief mogelijk [wil] leven'. Daarbij ziet hij Campert niet als een wilde levensgenieter:
hij is er te fijn, te teer te subtiel voor. Hij heeft begrip voor de houding van wie maar raak willen leven, hij heeft er zelfs sympathie voor, vooral als het er op een zeker moment inderdaad van komt. Maar hij staat er sceptisch en ironisch tegenover. 
Nog maar een citaat, want Dubois meent heel wat te ontdekken in het boekje van Campert:
Die wonderlijke combinatie van rust en onrust weerspiegelt zich rechtstreeks in wat hij schrijft: onder het oppervlak van een vloeiende, ironische volkomen beheerste, lichte en schijnbaar ook aan de oppervlakte blijvende stijl gaan tal van spanningen schuil, algemeen-menselijke, persoonlijke, psychologische, erotische e.d. die men soms als een zenuwtrilling langs de huid van zijn proza ziet vluchten, snel en onmiddellijk weer bedwongen, maar net voldoende om er een waarde aan te geven die men in de moedwil van al te veel proza mist. 
Van de woordgrapjes van Campert en de vreemde spelling van sommige woorden ('sunnyle', 'oh fon', 'saaj-jans-fiction') is Dubois minder gecharmeerd, maar hij vindt ze niet storend.

Hij sluit zijn stuk af met:
Maar hoe dan ook, wie zich even natuurlijk voor deze roman openstelt als Remco Campert de indruk wekt zijn verhaal natuurlijk te schrijven, zal aan dit uitstekende boek, dat een voortreffelijk staal van Camperts zeer persoonlijk talent is, veel plezier kunnen beleven, plezier van een dichterlijke orde.
 Het boek van Campert las ik een goed jaar geleden; ik schreef er een klein stukje over. Ik hou erg van het werk van Campert, maar dit boek viel me juist een beetje tegen. Toch moet het bij verschijnen iets bijzonders zijn geweest, anders had Dubois niet zo uitgepakt.

Mijn leerlingen vonden er niet zoveel meer aan en ik vermoed dan ook dat de reanimatie door de actie Nederland Leest niet werkelijk meer het leven in het boek kan blazen. Het heeft een mooie tijd gehad, maar die zal nu wel voorbij zijn.
De foto van Campert stond afgedrukt bij de recensie in Het Boek van Nu

maandag 21 januari 2013

Post Mortem



Soms komt het er gewoon niet van. Al een paar jaar geleden hoorde ik de naam Peter Terrin, een schrijver om in de gaten te houden; een schrijver om eens wat van te lezen. Het kwam er niet van. Ik downloadde ooit een keer een gesproken verhaal van hem en ik vond het gelook ik ook 'wel goed', maar dat was het dan.

Terrin won de AKO-prijs en dat was een goede aanleiding om het voornemen om werk van hem te lezen nu ook eens uit te voeren. Het heeft even geduurd, maar nu heb ik dan toch Post Mortem gelezen. Wat een boek!

In het begin van het boek was er nog niet zoveel aan de hand: de schrijver Emiel Steegman krijgt het idee om te gaan schrijven over T, een personage dat wel heel dicht bij hem staat. Ineens wordt alles wat hij meemaakt, of meegemaakt heeft, materiaal voor een roman.

In deel 2 overkomt het dochtertje van Emiel iets. Van de ene op de andere dag overkomt haar iets, waarvoor de artsen aanvankelijk geen verklaring hebben: ze valt in slaap en wordt niet meer wakker. Terrin beschrijft nauwkeurig wat er gebeurt. In zijn soberheid is dat een aangrijpend deel. Ik wist niet of dat deel autobiografisch was en voor de kwaliteit van het boek doet het er ook niet toe. Wel wist ik dat Post Mortem ging over 'iets met een dochtertje', en ik had het idee dat deel twee dan ook de kern van het boek was. Mocht het allemaal niet waar gebeurd zijn, dan was het wel verrekt goed ingeleefd.

Maar dan komt het derde deel, dat laat zien hoe de structuur van het boek is en dan merk je ook pas hoe goed dit boek eigenlijk is. In deel 3 is T al verschenen en een succesvol boek geworden. De biograaf van Steeegman vraagt zich natuurlijk af hoe het zit met het autobiografische gehalte, vooral omdat er een dode gevallen, die ook met naam en toenaam in het boek genoemd wordt. Is Steegman schuldig? Verklaart het boek hem schuldig of is het juist zijn alibi?

Het tweede deel van Post Mortem gaat inderdaad terug op iets wat gebeurd is met dochtertje van Peter Terrin. Hij heeft het indringend beschreven, zijn waarnemingen zijn bijzonder scherp. Vooral de analyse van wat er gebeurt. Als iemand iets zegt of doet, kan dat vaak op verschillende manieren uitgelegd wordt. Die verschillende mogelijkheden gaan ook door het hoofd van de hoofdpersoon en wij worden er deelgenoot van. Niet alleen in dit tweede deel trouwens.

Als er mensen in zijn tuin aan het werk gaan, vraagt Steegman zich af of hij hen koffie aan zal bieden:
'Zou het niet vreemd zijn, tuttig vooral, om nu al koffie aan te bieden? Of zouden ze zich daardoor welkom voelen, te gast, en vervolgens moreel verplicht om hun gastheer onder geen beding teleur te stellen? Koffie? Voor hardwerkende buitenmensen op een zonovergoten lentedag? Bier leek hem geschikter. Nu kon het nog niet, niemand zou durven te aanvaarden, en hij zou een rare indruk wekken, dat hij het normaal vond zo vroeg aan de drank te gaan. Straks, na een uurtje of twee. [...] Maar misschien vonden ze alleen al de veronderstelling dat zij alcohol drinken tijdens het werk een belediging: ze waren dure, plichtsbewuste vakmensen, toch geen Poolse knutselaars op een zwarte bouwwerf?
Dit is voorbeeld uit het eerste deel.

Dat tweede deel is al knap, maar nog knapper is wat Terrin er vervolgens mee doet is nog knapper. Hij neemt geen genoegen met het optekenen van  wat hem en zijn gezin overkomen is, hoe goed hij dat ook doet. Hij maakt het onderdeel van een duizelingwekkend knappe roman, die ons na laat denken over hoe vreemd fictie en werkelijkheid op elkaar kunnen inwerken.

Altijd als ik een goed boek gelezen heb, wil ik meer van de auteur lezen. Dat had ik nu ook. Maar ik weet ook dat er altijd nog andere boeken liggen te wachten, van Anton Valens bijvoorbeeld. Die gaan voor. Ik weet voorlopig nog niet hoe ik mijzelf tekortgedaan heb door niet meer van Terrin te lezen. Dit boek had ik in ieder geval niet graag willen missen.

zaterdag 19 januari 2013

Carla



Edmond Baudoin  is een tekenaar met uitgebreid oeuvre. Van zijn strips verscheen ook het een en ander in het Nederlands. In 2005 was dat het boek Carla, met verhalen over een vrouwelijke taxichauffeur die vooral 's nachts rijdt.

Het scenario van de verhalen werd geschreven door Jacques Lob. Carla zou het laatste personage zijn dat Lob schiep. Na zijn dood besloot Baudoin een afsluitend verhaal te schrijven, waarin de andere verhalen samenkomen. Het werd het slotverhaal uit deze bundel.

Bauoin heeft een fraaie manier van tekenen, waarbij de nadruk valt op de grote vlakken de brede lijnen, met daartussen dunnere lijnen, die met een fraai pootje getekend zijn . Sommige tekeningen zijn alleen in inkt uitgevoerd, bij andere, waar ook de korrel van het papier te zien is, lijkt er ook met potlood gewerkt.

De suspense die in verschillende verhalen hangt komt goed over doordat Baudoin verder geen kleur gebruikt. De tekeningen hebben soms grove streken, maar blijven sierlijk. Carla lijkt altijd ingevallen ogen te hebben, maar blijft een charmante vrouw.

Veel van de verhalen worden aangeraakt door het net niet of juist wel toevallige dat soms een bovennatuurlijke oorzaak lijkt te hebben. Het maakt de verhalen zowel mysterieus als geloofwaardig.

In het slotverhaal wordt eigenlijk de hele taxi-episode van Carla afgesloten. Ze gaat op weg naar iets nieuws, onder een andere identiteit. Wie weet duikt ze ergens anders op in het oeuvre van Baudoin.




donderdag 17 januari 2013

De jongen met het mes



Dick Matena heeft een reputatie in het verstrippen van literatuur. Daarmee heeft hij ongetwijfeld bijgedragen tot het aanzien van de stripkunst. Er is een tijd geweest dat strips vooral voor kinderen bedoeld leken en anders behoorden ze in ieder geval tot de lagere cultuur. Matena liet zien dat de deftige literatuur niets minder werd van de tekeningen van Matena, maar er wel meer publiek door kreeg. 

Intussen heeft Matena al heel wat boeken tot mooie beeldromans omgevormd. De laatste die hij onder handen had waren Kees de jongen en het laatste stuk van Kort Amerikaans. Eind vorig jaar zat als bijlage bij HP/De Tijd Matena's versie van De jongen met het mes van Remco Campert.

Eerlijk gezegd heb ik de verhalenbundel van Campert niet gelezen waarvan dit het titelverhaal is. De eerste zin kende ik natuurlijk wel: 'Je stampte met je voet op de grond en er was een feest.' Het moet een niet al te lang verhaal zijn trouwens, want Matena heeft er maar tweeëntwintig pagina's voor nodig. 

Matena heeft weer fraai werk geleverd. De tekeningen zijn sober gekleurd. Hij koos alleen uit het gamma bruin-oranje-roze, met soms een zwarte achtergrond of zwarte stukken in de achtergrond. Een van de personages kreeg het uiterlijk van de jonge Campert (zie de afbeelding hieronder, de figuur links onderaan, met bril).

Ook het verhaal van Campert 'doet' het nog steeds. Er is een geheimzinnige figuur op een feest: hij drinkt niet en volgens sommigen overschrijdt hij daarmee een grens. Hij heeft een mes en hij wordt uitgedaagd daarmee te gooien. Hij neemt de uitdaging aan. Er zit spanning in het verhaal. Matena zorgt ervoor dat je steeds blijft beseffen dat alles zich op een niet altijd overzichtelijk feestje afspeelt. 

De plot hou ik nog maar even voor me. Zoek de verhalenbundel van Campert maar eens op. Die is vast ergens voor een paar euro te koop. Of de strip van Matena al in de handel is, weet ik niet. Zou hij nog meer verhalen van Campert aanpakken? Van mij mag hij.



woensdag 16 januari 2013

Do-re-mi, dough, doe, doekoe

Vanochtend hoorde ik, in een gepodcaste uitzending van het radioprogramma OVT Woody Guthrie zingen. Hij zong het lied Do-re-mi. Het lied werd ook gezongen door een Zeeuwse groep, Champagne Charlie.

De zanger van de groep legde uit dat 'do-re-mi' in dit lied de betekenis 'geld' heeft. Hij verwees naar het woord 'dough' dat ik ook als 'doe' gespeld heb gezien. Blijkbaar zijn beide schrijfwijzen toegestaan, al bestaat er wel verschil van mening over.

Volgens een bijdrage op een forum waar de discussie 'dough'/'doe'gevoerd werd, moet het wel 'dough' zijn, omdat 'doe' een vrouwtjeshert is. Nu zijn we weer terug bij 'do-re-mi': volgens Wikipedia komt de 'do' af van 'doe', hertenwijfje. Hert en geld ontmoeten elkaar; 'doe' is een homoniem.

En in Nederland kennen we 'doekoe', ooit straattaal, maar intussen breder bekend. Ook geld. Zou dat nog iets met 'do-re-mi' en 'doe' te maken hebben? Het zou zomaar kunnen.





Def Rhymz

maandag 14 januari 2013

Het bamischandaal



'De langverwachte opvolger van J. Kessels: The Novel. Niet beter, wel heter!' Dat staat achter op Het bamischandaal de nieuwe roman van P.F. Thomése.

Het Kesselsboek had ik indertijd gelezen, tijdens een verblijf in Berlijn, wat mooi uitkwam, want de personages Thomése en Kessels gaan naar Duitsland om iemand op te sporen. Ik vond het een heerlijk boek: met veel vaart verteld, op een eigen toon; bijzonder humoristisch. Het hele boek door wordt er een spel gespeeld met werkelijkheid en verbeelding. Het personage J. Kessels is namelijk (als we de auteur tenminste mogen geloven) ook een bestaand persoon.

Het bamischandaal is net zo'n boek. Misschien hier en daar nog wat platter of vunziger (daar zal dat 'heter' op slaan), maar het concept is hetzelfde. Ook nu weer wordt er gezocht naar een verdwenen persoon. In dit geval J. Kessels himself. Hij is het meisje van de afhaalchinees nagereisd naar Shanghai en daarna is er niets meer van hem vernomen. Frans Thomése en Peer Sonnemans proberen Kessels op te sporen. Hun gids zal Frans Schellekens (De Schel) uit Breda zijn, die al jaren in Shanghai woont.

Sonnemans en Kessels komen uit Tilburg en tussen Breda en Tilburg heerst eenzelfde animositeit als tussen Amsterdam en Rotterdam of Arnhem en Nijmegen. De Schel wordt steeds op zijn afkomst gewezen; hij komt uit Breda en is dus bij voorbaat verdacht. De tegenstelling is een soort running gag in Het bamischandaal, zeker als dan ook nog blijkt dat Chinezen gokken op de wedstrijd NAC - Willem II.

Als lezer heb je vaak de neiging om 'in' een roman te kruipen, de romanwerkelijkheid voor even als de enige te zien en mee te leven met de personages. Daar geeft Thomése ons weinig kans voor. Steeds weer wrijft hij ons onder de neus dat we een roman lezen. Ik heb daar heel erg van genoten. Enkele citaten:
Het is dat deze roman Het bamischandaal heet. anders zou ik geneigd zijn het gelul van Peer met een pennenstreek als totale wartaal af te doen. Nu moest ik er een puntje aan zien te draaien.
Waar sloeg het allemaal op!? Een schrijver zoals ik, wie ik ook was, had toch heel wat belangrijker dingen om over te schrijven? Dingen die de literatuur waardig waren, om het voor de verandering een keer correct te formuleren. Die de mensheid een stapje verder gingen brengen. In een richting waar de geachte dames en heren van de mensheid op zaten te wachten. Nou, op dit lamme bamigelul zaten ze in elk geval niet te wachten. Daar kon je de klok op gelijk zetten, met de grote knoeperd keisteil omhoog wat mij betreft.
Een schrijver hoort zijn eigen personages niet af te vallen, dat is waar. Maar, zeg ik ter verdediging, ik heb hier niet om gevraagd, om deze uit de hand gelopen bijfiguren.
Als mijn theorie klopte - en waarom zou ze niet kloppen (ik was immers de schrijver van dit boek, en al probeerden bepaalde personen of personages er de hele tijd op hun domst doorheen te schreeuwen, ik hield de regie stevig in handen) - moest mijn vriend mij vanzelf een keer tegen het lijf lopen.
 Het bamischandaal is stilistisch interessant. In veel zinnen weet Thomése de spreektaal te benaderen. Dat doet hij zowel door zinsbouw als woordkeuze, waarbij hij handig wisselt van register. De zinnen hebben een enorme vaart, zodat je ze leest alsof je in de kroeg zit te luisteren naar iemand die smakelijk kan vertellen.

Toch viel het boek me uiteindelijk wat tegen. Eigenlijk is het niet veel meer dan een reprise van J. Kessels: The Novel. Hoe onderhoudend dit Bamischandaal ook is, als je de voorganger gelezen hebt, begint het op den duur toch te smaken als een opgewarmde bak bami. Best lekker, maar als je ook een vers bereide maaltijd kunt krijgen, heeft dat de voorkeur.


Het promotiefilmpje voor Het bamischandaal had ik gezien al ver voordat ik het boek las. Ik blijf het leuk vinden.

donderdag 10 januari 2013

Dansen op de vulkaan



Van Floor de Goede had ik maar één boekje gelezen. Een verzameling stripjes, meestal over de ongemakken van Flo en zijn vriend Bas. Eerlijk gezegd deed het me niet veel. Tekeningetjes van jongens met grote hoofden, een beetje zoet soms. Ik schreef een signalerinkje en dat was het. 

Maar nu heeft De Goede een heuse beeldroman gemaakt, Dansen op de vulkaan, en het is nog een goed boek ook! Weer gaat het verhaal over Flo en Bas. In het eerste deel is Flo voor het eerst tien dagen van huis, met de luidruchtige Sander voor wie hij foto's maakt. Dat is wel heel erg wennen, zo lang zonder Bas. 

In het tweede deel duikt Tom op, een jongen van wie Bas en Flo beiden nogal gecharmeerd zijn. Het maakt hun relatie bepaald niet gemakkelijker. In deel 3 is Flo in Amerika, waar hij zich zonder Bas aardig amuseert. En dan is er ook nog een epiloog. 

Dansen op de vulkaan bevat geen schokkende gebeurtenissen, is niet spannend en er zijn nog wel meer dingen over te zeggen waarin het boek niet uitblinkt. Maar het blijft je wel bij. Juist de gewone dagelijkse dingetjes weet De Goede te treffen. Hij is subtiel; hij kan laten zien hoe de stemming tussen de personen is zonder dat hij daar veel woorden hoeft te gebruiken. Hij tekent een blik, een voet die verschuift, een houding die alles zegt. De Goede heeft weinig nodig om veel te zeggen. 

Ook als de relatie tussen Flo en Bas onder druk staat, houdt het verhaal een lichte toets, zodat je als lezer af en toe moet grinniken. Dat doet aan de ernst helemaal niets af. Ik heb ook erg genoten van de manier waarop Flo's reisgenoot Sander getekend is. Sander is een uitbundig snurker. Blijkbaar ervaart Flo dat snurken bijna als dierlijk. Sander is op die plaatjes dan ook getekend als een allerminst fraai dier. 

Dat Floor de Goede gewend is korte verhaaltjes te tekenen vind je ook in dit boek wel terug. De delen bestaan vaak uit vrij korte scénes. Dat geldt vooral voor het deel dat zich in Amerika afspeelt.  Het valt wel op, maar echt een bezwaar is het niet. 

De Goede heeft zich aan een wat dikker boek gewaagd en hij heeft laten zien dat hij dat wel aankan. Van mij mag hij meer romans gaan tekenen. 






zondag 6 januari 2013

Arzak



Vorig jaar overleed de striptekenaard Jean Giraud. Hij was de tekenaar van onder meer Blueberry, die ik leerde kennen in de jaren zeventig toen ik de Pep las. Dat het uiterlijk van Blueberry overeenkwam met dat van Jean Paul Belmondo wist ik toen nog niet.

Onder het pseudoniem Moebius tekende Giraud verhalen uit een heel andere wereld: die van de science fiction en de fantasy. Hij tekende vier verhalen onder de titel Arzach. Waar die naam op sloeg, was niet helemaal duidelijk. Heette de hoofdpersoon zo? Was dat de naam van het vogelachtige dier waarop hij zich voortbeweegt? Of heet de wereld zo waarin zij zij bevinden? We kregen geen antwoorden, omdat Arzach een woordloze strip was.

Aan het eind van zijn leven wilde Moebius nog een trilogie schrijven over de wachter Arzak. De naam is iets anders gespeld, maar het is ongetwijfeld hetzelfde personage. Verder dan deel 1 is de auteur niet gekomen. Op 10 maart 2012 overleed hij, 73 jaar oud.

Dat eerste deel is nu postuum verschenen. Mooi uitgegeven: fors formaat, glanzend papier en een aardig verhaal. Eigenlijk hou ik niet zo van science fiction, maar de eenzame held Arzak intrigeert. Hij neemt het op voor minderheden op de planeet en probeert uit te zoeken hoe het zit met een illegale handel in schedels. De kwestie zal nooit meer opgelost worden.




Door het grote formaat was het mij niet mogelijk om een complete pagina te scannen.

zaterdag 5 januari 2013

Naar de overkant van de nacht



Naar de overkant van de nacht van Jan van Mersbergen was een van de beste boeken die ik vorig jaar las. Dat noemde ik in mijn lijstje en hier schreef ik over het boek. Ook las ik De grasbijter. En zojuist heb ik Naar de overkant van de nacht herlezen. Het is nog steeds goed.

In april zit ik met wat schrijvers om een keukentafel. Ik zal met hen praten over het vak en ze willen graag huiswerk. Dat wordt dus het lezen van dit boek. Niet om ze te ontmoedigen, maar om te laten zien hoe schrijven ook kan.

Er zijn nog steeds mensen die Jan van Mersbergen niet kennen. Er zijn nog steeds mensen die dit boek niet gelezen hebben. En ik ben een van de mensen die andere boeken van Van Mersbergen (De macht over het stuur bijvoorbeeld) niet gelezen hebben. Die mensen doen zichzelf tekort.

Nog maar een keer: Naar de overkant van de nacht gaat over een man die Vasteloavend viert, verkleed als veerman. De afgelopen jaren heeft hij samengewoond met een vrouw die af en toe niet verder kan, omdat het leven zo zwaar is; met haar dochtertje van elf, dat eigenlijk weg wil; met haar zoontje, dat gek is van hijskranen; met haar doofblinde tweeling. Hij heeft gezorgd, gezwoegd, zich opgeofferd, gegeven, gegeven, gegeven. En hij weet niet meer of hij dat nog kan en nog wil. Daarvoor heeft hij Vasteloavend nodig. Hij moet door de nacht heen om te zien wat de morgen hem brengt.

Eigenlijk gebeurt er niet zoveel in deze roman. Je volgt Ralf op zijn tocht door de nacht. Maar alles in de nacht lijkt hem te doen denken aan wat er voor de nacht was. Bijvoorbeeld de tijd dat hij met zijn ouders op een zandschip voer. Of de dingen die gebeurden in het gezin waarvoor hij zorgt. Alles heeft met alles te maken. Of liever: Vasteloavend heeft met alles te maken.

Alleen een goed boek kun je herlezen zonder dat het in elkaar dondert. Na herlezing staat Naar de overkant van de nacht nog recht overeind. Ik kan het nog een keer lezen. En nog een keer. En nog.  

Al bestond het oeuvre van Van Mersbergen slechts uit dit ene boek, dan nog was de P.C. Hooftprijs daarvoor op zijn plaats.

vrijdag 4 januari 2013

Zomerwaanzin



Dav Guedin (1974) ging in de zomer van 1999 met geestelijk gehandicapten op vakantiekamp in een Noord-Franse badplaats. Een pretje werd het niet: eigenlijk was hij niet berekend op de mensen voor wie hij moest zorgen en de rest van de leiding was dat ook niet. Soms had hij het met de andere leidinggevenden overigens net zo moeilijk als met de gehandicapten.

Over dit vakantiekamp schreef Guedin een beeldroman, die getekend werd door Craoman (1982). Verder zijn er in dit boek portretten van de gehandicapten opgenomen, getekend door Dav Guedin. Die portretten behoren tot het beste van het boek. Ze zijn zeker niet geflatteerd, maar je merkt met welke aandacht ze gemaakt zijn.

Zomerwaanzin geeft een goed beeld van het vakantiekamp en van de moeilijkheden die Guedin ontmoet. Wel slaat hij zich er beter door dan de rest van de leiding. Daarover is hij wel een beetje zelfingenomen en dat is in het boek duidelijk merkbaar. Als het hem tijdens de vakantie een keer te veel wordt, komt dat dan ook als een verrassing.

Er staan details in het boek die afschuw wekken. Door die weerzin moest Guedin heen, maar hij krijgt dat voor elkaar.

Craoman roept met zijn pentekeningen goed de sfeer op. Hij tekent bij mensen het hoofd extreem groot, zodat ze automatisch iets karikaturaals krijgen. Toch is Zomerwaanzin een serieus boek gebleven. Na lezing ervan krijg je wel bewondering voor mensen in de zorg, die zich dagelijks wijden aan dit soort gehandicapten.






donderdag 3 januari 2013

Dit zijn de namen



Van Tommy Wieringa las ik, zoals iedereen, Joe Speedboot. Caesarion sloeg ik over; wel las ik het kleine boekje Portret van een heer. En zojuist heb ik de fraaie roman Dit zijn de namen gelezen.

Het verhaal zal intussen bekend zijn, ook bij degenen die het boek (nog) niet gelezen hebben. De recensies hebben erover verteld: in een grensstad in de steppe leeft Pontus Beg, hoofd van de plaatselijke politie. Het is een beetje behelpen in zijn leven: hij heeft een koude voet en een fluittoon in zijn oor. Een nacht in de maand beslaapt hij zijn huishoudster.

Op een dag komt er een haveloos groepje van de steppe. Broodmager, uitgeput. Ze blijken een afgehakt hoofd bij zich te dragen, dat ze vereren als ware het een godheid. Beg zet ze vast en verhoort hen.

Godsdienst interesseert Beg wel. Hij heeft ontdekt dat hij wellicht Joods is. Je zou ook kunnen zeggen dat hij ervoor heeft gekozen om Jood te zijn, om te passen in een traditie, om ergens bij te horen.

Dit zijn de namen is thematisch een rijke roman. Wieringa stelt vragen over religie, over wat religie voor mensen betekent, of een god de gelovigen bevoordeelt. Hij laat ook zien hoe mensen kiezen voor zichzelf. De jongen die met de haveloze groep meetrekt, haalt zijn schouders op als Beg hem vraagt naar het oude vrouwtje wier wintervoorraad de groep meegenomen heeft: 'Het was wij of zij, snap je.'

Het was de bedoeling van het groepje verlorenen om over de grens te raken. Sterker nog: ze dachten dat ze al over de grens waren, wat niet bleek te kloppen. Ze waren op zoek naar het beloofde land, zoals ooit het volk Israël. Ze zeulden een hoofd met zich mee, zoals Israël de beenderen van Jozef met zich meedroeg. Aan het eind van het boek laat Beg aan de jongen zien waar de grens is. Hij laat hem met een verrekijker over de grens kijken, zoals Mozes ooit het land van melk en honing mocht zien, al zou hij niet over de grens komen.

Wieringa laat de lezer heen en weer zwenken tussen de wereld van Pontus Beg en van de groep gelukzoekers. Beide werelden boeien. De gelukzoekers moeten zien te overleven. Ze weten dat ze van de anderen niets goeds te verwachten hebben. Ze kunnen alleen bij de groep horen zolang ze iets kunnen bijdragen. Wie te zwak is, is verloren. Maar ze hebben een doel en dat zullen ze blind voor ogen houden, al weten ze niet of ze het ooit bereiken.

Het leven van Pontus verandert als hij ontdekt dat hij misschien wel Joods is. Ineens krijgt hij er een context bij, een traditie, wellicht een geloof. Als politieman wentelt hij zich in het vuil van de wereld. Als hem gevraagd wordt hoe hij zich daarvan reinigt, antwoordt hij dat sommig vuil niet meer weggaat. Maar als hij het bad met levend water heeft gezien, waarin Joden ritueel gereinigd kunnen worden (mikwe) begint hij te hopen dat hij misschien wel gereinigd kan worden.

Dit zijn de namen stelt vragen over rein en onrein, over moraal, over traditie, over geloof. Die vragen blijven nog door je hoofd zingen als je het boek uit hebt. En verder blijven de beelden je bij, van de eindeloze steppe, van de hardheid van het bestaan, van de mensen voor wie overleven bijna boven hun macht ligt. Wieringa heeft een roman met allure geschreven. Verplichte kost.


woensdag 2 januari 2013

Schurkenbloed



In de strip Schurkenbloed vinden we, na de proloog, de hoofdpersoon terug in een uitzichtloze situatie:
Ze hadden hem daar neergelegd totdat hij zou sterven en de ziekendragers die in de gangen ronddoolden zijn lijk op hun karretje met rubberen wielen naar het mortuarium zouden brengen. Vervolgens waren ze hem vergeten.
De tekenaar, Jacques de Loustal, gebruikt een paginagrote tekening om ons de situatie te tonen: een kamer bij nacht, de patiënt aan het infuus, terwijl hij een sigaret rookt. Uit de proloog weten we dat het om iemand gaat die er niet voor terugschrikt anderen te doden. Nu lijkt zijn einde dichtbij.

De man, Louis, blijkt toch nog de kracht te vinden om het ziekenhuis te verlaten en af te rekenen met de groep waartoe hij behoort. Hij doet dat emotieloos, meedogenloos. De tekst (van Philippe Paringaux):
Hij doodde hen allemaal. De pistolen gingen in zijn handen als dolle honden tekeer en botsplinters vlogen door de rook heen in het rond. De koperen hulzen stuiterden op de vloer en de tweeling schreeuwde het uit van angst, terwijl het bloed van de schurken hun gele jurken bespatte. Zelfs toen zijn wapens leeg waren, ging Louis door met schieten.
Daarna gaat hij op zoek naar zijn dochter, van wie hij zich sinds haar geboorte niets heeft aangetrokken.

Paringaux vertelt het verhaal met kleine sprongetjes; alsof er af en toe bladzijden overgeslagen zijn. Het blijkt niet uit te maken, het verhaal is duidelijk genoeg. We volgen graag Louis, voor wie we zelfs enige sympathie op kunnen brengen. Emoties lijkt hij nauwelijks te hebben, maar hij zoekt  gedreven naar zijn dochter. Hij moet dus wel om haar geven.

Het verhaal ademt een sombere sfeer, die ook niet verdwijnt als Louis zijn dochter vindt. De tekeningen zijn vaak ook in donkere tinten. De personages zijn wat houterig, maar dat blijkt geen bezwaar: zowel de tekeningen als de tekst vertellen het verhaal effectief.

Schurkenbloed is een goede strip. Wie het album uit heeft, is toe aan een borrel.


dinsdag 1 januari 2013

Drogen

Gisteravond hoorde ik op tv Glennis Grace zingen. Ik had vaag wel eens van haar gehoord, maar ik wist eigenlijk niet wie ze was. Haar lied, 'Afscheid', werd ondertiteld en in die ondertitels ontdekte ik een merkwaardig zinnetje. Het heeft te maken met het woord 'drogen'.

'Drogen' betekent, volgens mij, 'droog worden' of 'droog maken':
Droog jij je haren altijd met een föhn? (droog maken)
Nee, het droogt wel in de wind (droog worden)
Bij de betekenis 'droog worden' wordt vanzelfsprekend geen onderwerp gebruikt (De was droogt al aardig). Drogen in de overgankelijke vorm komen we bijvoorbeeld tegen bij 'wasdroger', een apparaat dat was droogmaakt. En vroeger werden bij ons appeltjes gedroogd: soms op de kachel, maar mijn moeder gaf ze ook wel mee met een oom die op de steenoven werkte, zodat ze in de oven gedroogd konden worden.

Drogen gaat volgens mij vaak door warmte of door lucht/wind. Als ik zeg 'dat droogt wel weer' hoef ik er niets aan te doen. Er hoeft niet gewreven of zo te worden.

Als dat wel het geval is, spreken we van afdrogen: 'Zal ik je rug afdrogen?' 'Droog jij de kopjes af?' We kunnen afdrogen zelfs zonder lijdend voorwerp gebruiken: 'Ik droog wel af'. Afdrogen is ook in overdrachtelijke zin te gebruiken: 'Ajax werd met 7-0 afgedroogd door Vitesse'. Ik stel me daarbij voor dat iemand ruw met een handdoek wordt drooggewreven. Afdrogen gaat volgens mij altijd met een hulpmiddel: een handdoek, een theedoek.

Tegen deze achtergrond is het gebruik van 'droog' in de zin 'droog je tranen' een beetje vreemd. Tranen kunnen opdrogen ('mijn tranen zijn gedroogd'), maar hier wordt de overgankelijke vorm gebruikt (met een lijdend voorwerp dus) en dan zou de betekenis moeten zijn: 'maak je tranen droog'. En dan ook nog door warmte of wind, zonder geveeg of zo. Maar die betekenis heeft 'droog je tranen' helemaal niet. De tranen worden immers niet droog gemaakt, maar de wangen of de ogen.

Toch is de zin 'droog je tranen' voor mijn taalgevoel een prima zin en als ik tegen een kind zeg dat het zijn tranen moet drogen, kan het gewoon de tranen van zijn wangen vegen. De betekenis van 'drogen' is in deze zin dus anders dan in 'Zullen we dit boeket maar drogen?'

In het Engels komt 'dry your tears' ook wel voor, maar gebruikelijk is 'dry your eyes'. Google geeft voor de laatste zoekopdracht ongeveer tien keer zoveel hits als voor de eerste. Ook in het Duits geeft 'trockne deine Augen' meer zoekresultaten dan 'trockne deine Tränen', maar het verschil is minder groot dan in het Engels. Het drogen van de ogen komt bijna twee keer zovaak voor als het drogen van de tranen.

Tot zover is er nog niet veel aan de hand. Wij zeggen in het Nederlands 'droog je tranen' en 'droog' wordt daarin in een wat andere betekenis gebruikt dan we gewend zijn bij andere zinnen. Glennis Grace zingt echter niet 'droog je tranen', maar 'droog je tranen af' en dat is gewoon fout. Als je iets afdroogt, veeg je het vocht eraf. We kunnen de kopjes afdrogen, of iemand afdrogen, maar tranen niet. Je kunt namelijk het vocht niet van tranen af vegen.

Glennis Grace zingt met opzet 'droog je tranen af', zo bleek me na wat googlen. Ik ben tenminste geen gevallen tegengekomen waarin ze iets anders zong. Altijd als ze dit lied zingt, zingt ze het rare zinnetje. Hoe komt ze daaraan?

Eigenlijk ging ik ervan uit dat 'Afscheid' een tekst zou zijn van John Ewbank, vaste tekstschrijver van Marco Borsato. Hij schrijft teksten waar vaak iets niet aan klopt. In 'Afscheid' staat bijvoorbeeld ook nog de rare zin 'De koffers staan al buiten, de achterklep slaat dicht'. Wat heeft het voor zin dat je de koffers buiten zet, als je ze toch niet meeneemt?

Er is een site die inderdaad beweert dat Marco Borsato dit lied gezongen heeft. Of dat klopt, weet ik niet; ik weet bijna niets van Borsato af. Maar Google wijst me veel vaker het spoor naar Volumia! en Xander de Buisonjé. Maar zowel op de eerder genoemde site als op de sites die naar De Buisonjé verwijzen komt de zin 'droog je tranen af' niet voor! De Buisonjé zingt het correcte 'Veeg je tranen weg'. Dan zal 'droog je tranen af' wel een variant zijn die uit de pen van Glennis Grace zelf komt. In het hele lied schrijft ze maar één zinnetje zelf en dan is het nog fout ook.

In ieder geval kun je met raar Nederlands wel een hit scoren. Op het wereldwijde web vind ik dat het lied, in de uitvoering van Glennis Grace, op nummer 2 gekomen is in de Nederlandse Top 40 en  op nummer 1 in de Single Top 100. In 2011 en 2012 kwam het ook nog terecht in de Top 2000, op respectievelijk plaats 641 en 559.

Verder kwam ik erachter dat Glennis Grace ooit voor Nederland is uitgezonden naar het Eurovisie Songfestival. Ook nooit geweten. Een mens leert elke dag wat. Of Grace zoveel invloed heeft dat over een tijdje iedereen zijn tranen 'afdroogt' moeten we nog even afwachten.




Het bewuste zinnetje komt steeds voor tussen 3.00 en 3.30.