zaterdag 30 juni 2012

Van de liefde die vriendschap heet (Knipoog 17)


Rond 1885 schreef Albert Verwey de sonnettenreeks 'Van de liefde die vriendschap heet'. Maar liefst vierenveertig sonnetten telde de reeks, waaronder het beroemde sonnet nummer 8: 'O Man van Smarte met de doornenkroon, / O bleek bebloed gelaat, dat in den nacht / Gloeit als een groote, bleeke vlam, - wat macht / Van eind'loos lijden maakt uw beeld zo schoon?' De vriendschap met Willem Kloos zou Verwey tot de cyclus hebben geïnspireerd. Na Verweys huwelijk met Kitty van Vloten, raakten de vrienden uit elkaar. 


Veel  gedichten uit de cyclus hebben de tijd niet doorstaan. De volgende beginregels zeiden mij bijvoorbeeld niets: 'Ik zal de Moire bij de handen vatten' (13); 'Mij dunkt wanner de mensen dit boek zien' (22); 'Zij sollen met het katje en torsen 't dier' (32). Maar ik ken het werk van Verwey niet zo goed. 


De titel van de cyclus is wel beroemd gebleven. De briefwisseling Willem Kloos-Albert Verwey die in 2008 in boekvorm uitkwam heette dan ook Van de liefde die vriendschap heet. Ook buiten de context Verwey/Kloos komt de titel voor. Nog onlangs, op 27 april 2012, stond stond hij boven een artikel over vriendschap in de Belgische krant De Standaard


Maar ook de structuur van Verweys titel blijkt overal op te duiken. Wie oplet ziet overal titels met als patroon 'de ... die ... heet' of 'het ... die ... heet'. En zelfs wie niet oplet, ziet het, als hij bijvoorbeeld het zojuist verschenen nummer van het tijdschrift Liter doorbladert. Maar liefst drie keer valt een auteur terug op Verwey.


Willem Jan Otten kopt 'Het onweer dat Gerhardt heet', Teunis Bunt 'De fiets die vriendschap heet' en op dezelfde pagina Elizabeth Kooman 'Het mirakel dat omhelzing heet'. Ik voorzie een naamsverandering: Liter wordt Het tijdschrift dat Liter heet.




vrijdag 22 juni 2012

Zwarte dauw


Zwarte dauw van Rachel Visscher is al meer dan een jaar oud, maar ik had het tot nu toe niet gelezen. Het blijkt een oppervlakkig boek te zijn, geschreven in een beroerde stijl.

Rachel Visscher ging terug naar het stadje waar haar vader opgroeide, Genemuiden. Dat is een orthodox christelijk bolwerk. Wellicht met het verkoopsucces van Jan Siebelink en Franca Treur in het achterhoofd, besloot Visscher een boek aan deze gemeenschap te wijden. Op de site van de uitgeverij lees ik: 'Met een scherp oog en gevoel voor taal zet de schrijfster de verschillende bewoners van de stad neer (...). Een fijnzinnig, literair debuut van een veelbelovende schrijfster.'

Ik neem aan dat uitgeverij Augustus hier niet ironisch is en dat wij werkelijk moeten geloven dat Rachel Visscher 'gevoel voor taal' heeft. Maar in Zwarte dauw valt juist op dat zo'n beetje elk gevoel voor taal ontbreekt. Zelfs van vrij gebruikelijke woorden blijkt Visscher bijvoorbeeld de betekenis niet te kennen en ze is ook nog eens te beroerd om die op te zoeken.

Kom, laten we bladzijde 34 eens bekijken. Eerste zin: 'Thomas kijkt genoegzaam'. Genoegzaam betekent: voldoende, mevrouw Visser. Hier zal wel 'vergenoegd' bedoeld zijn. Volgende alinea: 'Maak dat de blazoen geluid voortbrengt', legt ze een dominee in de mond. Gokje: dat heeft de dominee niet gezegd. Ten eerste is het niet 'de blazoen', maar 'het blazoen' en ten tweede zal een blazoen nooit geluid voortbrengen. Een blazoen is immers een wapenschild. Bedoeld zal zijn: de bazuin.

Op dezelfde bladzijde wordt ook nog gesproken over het maken van een offer in plaats van het brengen van een offer. Een preekstoel (of kansel) wordt een 'spreekstoel' genoemd (intussen heb ik bladzijde 34 verlaten); een hond springt schielijk overeind (alsof je ook langzaam overeind zou kunnen springen); met oud en nieuw wordt er met buskruit en melktonnen geschoten, in plaats van met carbid en melkbussen; de ik-figuur heeft zin om 'keihard naar de radio te luisteren'; in het park meent Visscher een 'zwerm' eenden aan te treffen; van 'krankheid' denkt de schrijfster dat het Duits is en dus 'krankheit' moet zijn; naar woorden als 'scheiding' en 'stilte' verwijst ze met 'het'; de SGP is bij haar niet de Staatkundig Gereformeerde Partij, maar de Sociaal Gereformeerde Partij; in een kerk laat ze collecteren door 'hulpkosters' in plaats van door diakenen; Visscher heeft het over 'veel mimiek in het gezicht' (Zucht! Mimiek is altijd in het gezicht, nooit in oksels, achter ellebogen of tussen billen); ten slotte: 'rode konen op haar wangen' (Mevrouw Visscher, een koon is al een wang. Wangen op je wangen kan niet.)

Zwarte dauw is beroerd geschreven en blijkbaar nauwelijks geredigeerd. Of zou de redacteur er al kruiwagens vol rare taal uit gekruid hebben? Op de site van Augustus blurpt Jan Sieblink: 'De stijl is onberispelijk, verrassend, suggestief'. Sieb dergelijke onzin laten schrijven zal wel goedkoper geweest zijn dan een redacteur flink aan het werk zetten.

Siebelink heeft ongetwijfeld het boek niet eens gelezen. Was dat wel het geval geweest, dan had hij feilloos de inhoudelijke fouten aangewezen. Het Avondmaal wordt niet met water en brood gevierd, maar met brood en wijn. Dat 'water' wordt bovendien niet uit een kan gedronken, maar uit een beker. Als je in een grote kerk achteraan zit, zie je dat misschien niet goed, maar waarom vertikt Visscher het snotverdorie toch om ook maar een dingetje op te zoeken in een naslagwerk, waarom weigert ze om zich te laten controleren?

Siebelink had haar ook kunnen vertellen dat je niet een 'rooms' meisje op de omslag moet zetten, dat Jesaje 55 niet over 'de dorstige man' gaat, dat er maar één doopformulier is, dat het niet 'catechismen', maar 'catechismus' is. Het zou aan Visscher niet besteed zijn geweest, vermoed ik.

Als ze in een interview in Trouw geconfronteerd wordt met de gesignaleerde fouten, reageert ze als volgt:
'Weet je, ik vind dat een belediging voor mijn werk. Dan komt daar iemand die in een totaal andere wereld is opgegroeid. Die gaat zich in hen verdiepen, die gaat proberen hen te begrijpen. En dan is het nóg vernietigend. Kennelijk missen ze het instrumentarium en de kennis die ik wel heb.'
Ehm... De vraag ging over de fouten. Met een beetje kennis en een deugdelijk instrumentarium hadden die dus vermeden moeten worden. Als Visscher daarop gewezen wordt, valt ze meteen degenen aan die haar daarop wijzen in plaats van inhoudelijk op de kritiek in te gaan.

Ook in het boek klaagt ze dat de Genemuiders haar niet begrijpen, hoewel ze toch zo haar best doet om de mensen in Genemuiden wel te begrijpen. Van dat laatste geloof ik niets. Wat vooral opvalt is het dedain waarmee Visscher schrijft over de orthodoxe christenen. Nooit beschrijft ze wat ze waarneemt, altijd moeten er oordelen bij. Een dominee is trots, iemand heeft een sinistere blik, een ander glimlacht fijntjes. En als het om Rachel Visscher zelf gaat? Nadat ze heel veel vragen gesteld heeft, krijgt ze ook zelf een vraag, namelijk of ze gedoopt is. ''Vindt u het goed dat ik de vragen stel?' vraag ik vriendelijk.' Zo zijn onze manieren.

Laten we er maar over ophouden. Zwarte dauw is een slecht geschreven boek, haastig in elkaar gedonderd door iemand die niet werkelijk geïnteresseerd is in haar onderwerp. Dat is overigens in verschillende recensies herkend: op 8Weekly las ik: 'Daarmee ontstijgt Visscher niet de clichés die er over gereformeerden bestaan. Integendeel: zij versterkt ze, omdat het haar niet lukt om echt in de gemeenschap door te dringen.' en op de site van Passionate Magazine: 'In plaats van zich open te stellen voor de rechtzinnige gelovigen zoekt Rachel enkel bevestiging van haar vooroordelen.' Krek! Zo is het.

donderdag 21 juni 2012

Ze heten allemaal Mohammed




Een strip is al lang niet meer een getekend verhaal, spannend of grappig. Naast alle autobiografische strips zijn er ook getekende biografieën en journalistieke reportages. Wat dat laatste betreft: Hier en hier schreef ik al over de indrukwekkende boeken van Joe Sacco. Nu is er nog een goed boek in dit genre: Ze heten allemaal Mohammed van Jerôme Ruillier.

Ruillier nam als uitgangspunt het boek Mémoires d'immigrés van Yasmina Benguigui. Zij interviewde verschillende mensen die als gastarbeider naar Frankrijk waren gekomen, voornamelijk uit Algerije en Marokko. Naast die gesprekken gebruikt Ruillier kleine stukjes uit zijn eigen leven voor het boek.

De tekenaar koos ervoor om de mensen af te beelden als dieren. Ze doen me wat aan beren denken (gezien hun oren), maar het zouden ook honden kunnen zijn. Waarom hij dat gedaan heeft, is mij niet duidelijk. Hij tekent niet alleen immigranten op die manier, maar ook autochtone Fransen, zoals Mitterand.

De verhalen van de immigranten zijn indrukwekkend. Ruillier vertelt ze onopgesmukt na en er hoeft ook eigenlijk niets aan toegevoegd te worden. Voor velen is het een zwaar bestaan geweest en soms is dat het nog. Ik kreeg bewondering voor de moed waarmee velen volgehouden hebben, ook al was er heel wat in hun omgeving dat bijzonder ontmoedigend moet zijn geweest.

Ze heten allemaal Mohammed is verdeeld in drie delen: De vaders, De moeders en De kinderen. Die kinderen zijn soms nog jong, maar er kan ook een bejaarde aan het woord komen die kind was toen hij naar Frankrijk trok. De eerste immigranten kwamen al voor de Tweede Wereldoorlog. Er wordt onder andere het verhaal verteld van een Algerijn die in het Franse verzet zat, opgepakt werd en in een concentratiekamp terechtkwam.

Er zijn veel statistieken over allochtonen. Er zijn studies naar verricht. Maar de betrokkenheid bij de problematiek kun je volgens mij niet beter krijgen dan door het lezen van een boek als dit. De betrokkenen komen aan het woord en vertellen over hun leven. Ieder heeft zijn eigen verhaal en wie die verhalen leest, weet dat elke generalisatie de waarheid geweld aan doet.

Indrukwekkend boek. Lezen, dus!






dinsdag 19 juni 2012

Het meisje dat verdween



Er zijn redenen genoeg om niet te beginnen aan Het meisje dat verdween (2010) van Els Florijn. De titel is niet bepaald spetterend en het lijkt erop dat het boek door recensenten is genegeerd: op het achterplat staat alleen een tweet van Andries Knevel, die Florijns boek uitroept tot de beste roman van 2010. Voor de goede orde: dat was het jaar dat Bonita Avenue van Peter Buwalda verscheen. En Tikkop van Adriaan van Dis, Sprakeloos van Tom Lanoye, De Nederlandse maagd van Marente de Moor, Huid en haar  van Arnon Grunberg. Allemaal niet gelezen door Knevel, neem ik aan. Mij is het dan ook een raadsel waarom de uitgever juist de Kneveltekst in rood op de omslag afdrukt.

Twee jaar geleden liet ik het boek van Els Florijn ongelezen, omdat ik de indruk had dat het niet om een roman ging. Het meisje dat verdween is gebaseerd op gebeurtenissen uit de Tweede Wereldoorlog, zoals die verhaald zijn in een uitzending van Andere Tijden: 'De andere familie Frank'. Een familie duikt onder, maar vertrouwt het jongste kind (Elly Frank) toe aan een ander gezin. De bange burgemeester zorgt ervoor dat het kind opgepakt en weggevoerd wordt. Ze is vrijwel meteen op transport gesteld en waarschijnlijk is ze onmiddellijk daarna vergast.

De documentaire had ik gezien en ik zag dat zo'n beetje alle publiciteit rondom Het meisje dat verdween over die geschiedenis ging. Ik heb die artikelen diagonaal doorgekeken, zonder ze echt te lezen. Als ik dat wel had gedaan, had ik geweten dat Florijn weliswaar de geschiedenis van Elly Frank en haar gezin als uitgangspunt heeft genomen, maar dat ze een echte roman heeft geschreven.

Florijn heeft een wat stroeve stijl, die soms ook een beetje dof is. Toch weet haar boek te boeien. Het verhaal zwenkt heen en weer tussen het verhaal van het kleine meisje (dat in het boek Ditte heet) en haar zusje (Lotte, in het boek) dat dus moet onderduiken. Florijn stopt echter niet bij het einde van de oorlog, maar ze laat zien hoe ook na de oorlog het lijden doorgaat van het gezin waaruit het dochtertje is verdwenen. Als Lotte al over de zeventig is, gaat ze terug om te kijken of ze nog iets van haar zusje te weten kan komen. Ze heeft het idee dat zij degene is die de herinneringen moet conserveren, dat zij ervoor moet zorgen dat het zusje niet definitief verdwijnt.

Els Florijn heeft met Het meisje dat verdween een degelijke roman geschreven, die doordacht en stevig in elkaar zit. Als lezer leef je gemakkelijk mee de hoofdpersonen. Vooral de tocht van het ene onderduikadres na het andere is beeldend beschreven.

Met de werkelijke gebeurtenissen is Florijn behoedzaam omgegaan. Achter in het boek verantwoordt ze zich uitvoerig. Dat is informatief, maar het zorgt er tegelijkertijd voor dat je Het meisje dat verdween lastiger als roman leest. Ik vermoed dan ook dat Florijn bij haar spreekbeurten naar aanleiding van het boek meer heeft moeten vertellen over Elly Frank dan over haar eigen roman.

Filmpje over Het meisje dat verdween
Geluid bij het interview is wat minder, maar wel acceptabel

zondag 17 juni 2012

Scherpschutters


Heel wat mensen en dus ook heel wat schrijvers proberen duidelijk te krijgen hoe ze zich verhouden tot hun ouders. Het is lastige materie: ouders heb je altijd, ook als je ze ziet niet meer ziet en ook als je ze niet meer hebt. Ex-ouders bestaan niet. Hun bloed vloeit door je aderen en je zou niet geweest zijn wie je bent als je niet deze ouders had gehad.

In Scherpschutters portretteert Michiel van de Pol zichzelf en zijn vader. Vader lijkt maar één passie te hebben: Chinees porselein. Verder lijkt het een saaie man. Hij is hartpatiënt en daarom moet hij ook wat gaan bewegen. Met weinig enthousiasme gaat hij met zoon Michiel badmintonnen. Na afloop van het eerste gezamenlijke sporten typeert vader zichzelf en zijn zoon als scherpschutters: je moet kunnen wachten en daarna moet je toeslaan.

Michiels gezondheid is niet optimaal. Zijn lichaam is getraind door krachtsporten, maar soms laat het hem ineens in de steek: dan overkomen hem epileptische aanvallen. Het is een van de lijntjes die het leven blijkt te trekken tussen vader en zoon.

Vlak voor diens dood gaat Michiel met zijn vader naar Bali. Daar komt hij erachter hoezeer zijn vader het afwachten tot kunst heeft verheven en als hij terug is in Nederland merkt hij dat hij die trek van zijn vader heeft overgenomen.

Michiel van de Pol heeft een 'open' manier van tekenen: de nadruk ligt op de lijn en op de meeste bladzijden  maakt hij weinig gebruik van arceringen of zwarte vlakken. Zijn lijnen zijn altijd soepel en ongedwongen, wat zelfs terugkomt in de kaders voor de plaatjes, die hij uit de losse pols tekent.

Scherpschutters is een mooi portret van vader en zoon. Een liefdevol portret, waarbij de moeilijke zaken (zoals de woede-uitbarstingen van vader) niet worden verdoezeld. Voor in het boek staat: 'Feit, fictie en chronologie zijn in dit boek vrijelijk met elkaar vermengd ten behoeve van de inhoud'. Dat doet aan de authenticiteit niets af.

Michiel van de Pol werkt nog aan het boek De gevoelige-mannenclub. Ik kan niet wachten.







zaterdag 16 juni 2012

Begeerte heeft ons aangeraakt




Een tijdje terug las ik Hoe staat het met de liefde? van Bert Natter. Ik schreef er hier een kort stukje over, waarin ik vertelde dat het boek me niet overtuigde, al had ik me tijdens het lezen niet verveeld. Maar iedere schrijver heeft het recht om beoordeeld te worden op zijn beste werk, en het debuut van Natter, Begeerte heeft ons aangeraakt zou beter zijn. Dat klopt.

Net als zijn tweede boek is het debuut van Natter een humoristisch boek. Er zijn aardig wat schrijvers tegenwoordig die de lichte toon aanslaan. Mij schieten nu Mama Tandoori van Ernst van der Kwast en Alleen maar nette mensen van Robert Vuijsje te binnen. Maar met alleen lichtheid kom je er niet. Mama Tandoori bijvoorbeeld, redt het door de reis die ik-figuur aan het einde van het boek maakt, waardoor hij zijn moeder beter leert begrijpen.

Ook bij Natter is er meer dan alleen de vrolijkheid. De hoofdpersoon, met de onmogelijke naam Lucas Hungthburth, wordt ontslagen als hoofd oude muziekinstrumenten bij een museum en juist dan lijkt hij een bijzonder klavecimbel te ontdekken. Hij reist naar een Gronings dorpje, waar hij kennismaakt met onder anderen de eigenaar, Dembeck, en diens zus Dido.

Als er een Dido is, wordt de tegenspeler bijna automatisch een Aeneas, zeker als er dan ook nog een jachtpartij in het boek voorkomt. Lucas schiet twee pauwen, die tijdens een maaltijd opgediend zullen worden.

Het wordt dan ook een tragische liefdesgeschiedenis tussen Lucas en Dido. Dido blijkt voor eventjes uit een inrichting weg te zijn, maar aanvankelijk weet Lucas dat nog niet. Het is een vondst van Natter om meteen de jij-vorm te kiezen zodra Dido ten tonele verschijnt. Je voelt hoe Lucas naar haar toe gezogen wordt.

De twee verhaallijnen, over het bijzondere muziekinstrument en het bijzondere meisje, zijn tot een mooi koord gevlochten. Ook Lucas' werkgeefster, die hem aan het begin van het boek ontslaat, duikt nog in Groningen op, waardoor het boek alleen maar hechter wordt.

Natter houdt van uitbundige scènes, die neigen naar het absurde. Zo beschrijft hij een maaltijd die volledig uit de hand loopt. Qua sfeer deed me dat wel denken aan passages uit het vroege werk van Renate Dorrestein. Alsof de auteur grijnzend zijn personages in moeilijkheden brengt.

Al met al heeft Natter een boek geschreven dat leest als een trein, dat goed in elkaar zit en dat je ook nog eens bijblijft. Meer hoeft een schrijver niet te doen.

Al maanden voor de vakantie leg ik een altijd veel te hoge stapel aan van boeken die ik dan eindelijk zou moeten lezen. Als jij daar ook mee bezig bent, leg Begeerte heeft ons aangeraakt dan maar op die stapel.


donderdag 14 juni 2012

Oranjefan



In mijn straat woont een Oranjefan. Hij heeft de gevel van zijn huis bekleed met een oranje doek, overal wapperen vlaggetjes, er hangt een banner met ‘Holland House’. Gisteren vlocht hij met oranje slingers de letters ‘EK’ tussen de spijlen van het balkon. Op zijn deur heeft hij een grote kop van een buldog geplakt. Het beest heeft een oranje halsband om en er staat ook een tekst bij, maar die kon ik niet lezen, toen ik langsfietste. En ik wou er niet voor afstappen. Als je iemand met één been ziet of met een afzichtelijk gezwel in zijn gezicht, blijf je ook niet stilstaan om dat eens rustig te bekijken.

Het is trouwens een aardige man. Als hij zijn hond uitlaat, loopt hij langs mijn raam en steekt zijn hand op als hij mij in mijn leunstoel ziet zitten. Op dagen dat Vitesse speelt, heeft hij altijd een geelzwarte vlag uithangen, want ik woon in de buurt van Arnhem. Dan is zoiets vergeeflijk.

Ik heb een beetje medelijden met mijn straatgenoot. Terwijl zo’n beetje iedereen zijn schouders ophaalt over ons nationale voetbalteam, heeft hij een kinderlijk geloof behouden in de goede afloop. Misschien is dat vermogen om te dromen juist wel mooi. Mijn buurman is ongetwijfeld een goed mens en hij denkt overal het goede van. Ach, je misgunt niemand zijn dromen.

Maar gisteren speelde Nederland tegen Duitsland, een echt voetballand. De Duitsers hadden gemakkelijk met groot verschil kunnen winnen. Het zal wel medelijden geweest zijn waardoor zij zich zo ingehouden hebben. Maar wie is er gebaat bij medelijden? Als Nederland met 5-0 verloren had, was het gewoon meteen klaar geweest. Mijn buurman had de ballonnetjes lek kunnen prikken, de slingers op kunnen rollen en het zeildoek voorzichtig los kunnen maken van de muur. Misschien had iemand hem daar ook nog wel bij willen helpen en hij zou ongetwijfeld klopjes op zijn schouders hebben gekregen. 

Als iemand zwaar ziek is, kun je tegen de dokter zeggen dat je niet langer behandeld wilt worden, maar een menswaardig einde wilt. Zo'n dokter is dan verplicht aan die wens gehoor te geven. Bij het voetbal geldt dat niet. Je kunt wel tegen de tegenstander zeggen dat hij het kort moet maken, maar als de spelers domweg niet scoren, blijf je zitten met een klein verlies en ongefundeerde hoop. 

Het is te hopen dat de Portugezen menslievender zijn en er snel een paar in schieten. Als tegenprestatie mogen ze dan wat meer lenen uit het Europese noodfonds; de ene dienst is de andere waard. 

Mijn buurman zal maandag voor mijn huis met zijn hond stil gaan staan, als ik mijn stoepje aan het schrobben ben. Hij zal praten over 2014, het WK. Dan zal gerechtigheid geschieden, meent hij. Ik zal hem Mattheüs 5: 6 voorlezen en met verende pas zal hij verder lopen.



dinsdag 12 juni 2012

De Kuifje Archieven: Het geheim van De Eenhoorn



Kuifje blijft leuk. En goed. Al decennia oud en geen sleetplekje te bekennen. Dat bleek maar weer eens toen ik mij verdiepte in een gekregen deel van De Kuifje Archieven: Het Geheim van de Eenhoorn.

Het is een voorbeeldig boek. In de inleiding wordt eerst de tijd geschetst waarin Hergé dit deel van Kuifje tekende en schreef. Dat was in de Tweede Wereldoorlog. Maar ook de bronnen van het verhaal worden tot op de bodem uitgegraven. Deze trap op dit plaatje is letterlijk terug te vinden in dat kasteel. En voor dit plaatje heeft Hergé dit schilderij als uitgangspunt genomen. Op die manier.

Alle personages worden behandeld, van Kuifje en Haddock tot een marktkoopman die even zijn gezicht laat zien, er zijn enkele schetsen opgenomen en alle plaatjes die wel in de krant stonden, maar die later niet in het album terugkwamen zijn in het boek opgenomen.

En natuurlijk het complete verhaal.

Ach, er is nog meer, maar kijk zelf maar. Zeer aanbevolen!


Let op de fraaie inkleuring en natuurlijk op het grapje: Bobby heeft jeuk. Maar Kuifje loopt dan ook op een vlooienmarkt. 

zaterdag 9 juni 2012

Afscheid van een engel



Achtendertig nachten van Janne IJmker werd zeer bejubeld in christelijke kring. Het boek kreeg bijvoorbeeld de Publieksprijs voor het christelijke boek 2007. Nu heeft men in de christelijke hoek de neiging om alles wat niet slecht is, meteen heel goed te noemen, is mijn indruk, maar in dit geval kon ik me best wat voorstellen bij het enthousiasme; Achtendertig nachten is een heel behoorlijk boek en inderdaad veel beter dan veel romans van andere christenen.

Nu is er een vervolg: Afscheid van een engel. Weer een historische roman, die inhoudelijk aansluit bij het vorige boek. Het nieuwe boek is twee keer zo dik als het oude. En het is beter.

Het boek begint in de jij-vorm, wat een lastige vorm is. Het is bijvoorbeeld moeilijk om zo actie in het verhaal te krijgen. Wel ben je als lezer gemakkelijk betrokken bij de aangesprokene en bij degene die spreekt/vertelt. Er blijkt een vader aan het woord te zijn, die tegen zijn zoon praat.

Na een paar bladzijden wisselt het perspectief, maar de jij-stukken zullen in de loop van het boek blijven terugkomen. Verder is er een heden (van de vader die een verstoorde relatie heeft met zijn zoon) en het verleden van de vader, die zonder ouders opgroeit en later rond gaat trekken met 'vagebonderen'. Ook de zoon heeft een verleden: hij heeft vreselijk geleden als soldaat bij Napoleons tocht naar Rusland.

Afscheid van een engel begint spannend: door de afwisseling van de verschillende tijden moet je als lezer je hoofd erbij houden en er zijn veel vragen waarop (nog) geen antwoord is. Elegant springt IJmker van de ene verhaallijn naar de andere. Later wordt het boek iets rustiger van opbouw, doordat IJmker het verhaal uit het verleden meer ruimte geeft. Gek genoeg gaat daarbij de stijl soms achteruit of maakt de schrijfster wat minder gelukkige keuzes: het vertellen van wat belegen grapjes, bijvoorbeeld. En daarna vermelden dat erom gegrinnikt wordt of gelachen wordt. Op zo'n moment zakt een passage helemaal in.

Het boek is fris geschreven, maar tussen de citroenen tref ik ook knollen van clichés aan. Ik zette streepjes in de marge bij zinnen als: 'Ik kon eerlijk gezegd een glimlach niet onderdrukken'; 'ik keek in de mooiste lichtbruine ogen die ik ooit gezien had'; 'Nog voordat zijn hand neerkwam trof mijn vuist zijn neus'; 'ik zag een vleug van gereserveerdheid op haar gezicht'.

Dit soort slappe zinnen valt op, omdat IJmker laat zien dat ze veel beter kan. Grootmoeder moppert bijvoorbeeld dat de dominee in zijn preek altijd op dezelfden uitkomt (Abraham, Jozef, Simson, Jeremia): 'ze keek daarbij alsof Abraham en consorten mannen waren die ter plekke met hun strontklompen het voorhuis binnenkwamen.' Van mij had 'mannen waren die' er nog uit gemogen, maar dat binnen komen klossen op strontklompen is zonder meer goed. Vind ik.

IJmker is goed in plastische beschrijvingen en ze heeft zichzelf daarbij niet gecensureerd. Gewelddaden beschrijft ze op een manier dat je je als lezer ongemakkelijk gaat voelen. Als lezer zou je liever je hoofd afwenden, maar de schrijfster dwingt ons mee te kijken. Het leven is geen pretje, dat is wel duidelijk en het beroerdste zijn niet de gruwelijkheden die we over ons heen krijgen, maar die welke we begaan.

Het heden van het boek speelt vlak voor Pasen en er zit dan ook een duidelijke christelijke boodschap in het boek. Van mij had dat wat minder nadrukkelijk gemogen, al wordt IJmker ook in die gedeelten niet zoet. Maar zo'n boodschap is eigenlijk altijd overbodig. Als uit de handelingen van de personages blijkt wat je als schrijver met ze voorhebt en hoe je in het leven staat, hoef je dat niet nog eens uit te leggen.

Al met al is Afscheid van een engel beter dan Achtendertig nachten. Je merkt dat IJmker zich aan het ontwikkelen is. We gaan nog meer van haar horen en nog betere boeken van haar lezen. Ik ben nu al benieuwd.

Stockholm Zuid



Misdaadboeken zijn over het algemeen niet aan mij besteed. De naam Jens Lapidus zei mij dan ook maar vaag iets. De flaptekst van de beeldroman ('graphic novel'  staat er op de voorkant, de tekeningen zijn van Peter Bergting) vertelt dat Lapidus 'een uiterst succesvolle strafrechtadvocaat' is en dat hij 'enkele van de meest beruchte misdadigers van Zweden' verdedigde.

Zijn Stockholm-trilogie wordt vergeleken  met het werk van James Ellroy en Dennis Lehane, wier namen ik zelfs nog nooit gehoord heb, maar het zullen bekenden zijn in het misdaadboekencircuit.

Het verhaal is gauw verteld: een meisje gaat met haar zatte kop na een avond stappen met een paar jongens mee en heeft seks met hen. Ze doet aangifte van verkrachting. Haar broer (Mahmut) is een zware jongen, die, samen met zijn groep wraak wil nemen. De jongens hebben connecties met een andere groep. Oorlog dus.

De andere kant van het verhaal is natuurlijk de rechercheur, eigenzinnig, botsend met regeltjes, hart op de goede plek. Ik heb het idee dat rechercheurs altijd de indruk moeten wekken dat ze geen doorsnee politieman zijn, maar eigenlijk lijken ze allemaal op elkaar.

Stockholm Zuid volgt verder ook het klassieke patroon: harde misdaad, met toch een menselijke kant, zowel bij de rechercheur als bij Mahmut. Het verhaal ontwikkelt zich redelijk voorspelbaar. De strijd laait op, de bendes zien in dat het zo niet verder kan en zullen vrede moeten sluiten. Maar wat zal de politie doen?

De strip is overigens aardig getekend. De plaatjes zijn geplaatst op zwarte bladzijden, om het wat somberder of dramatischer te maken. Dat werkt ook wel, eerlijk gezegd.

Nou ja, je hoeft je bij het boek niet te vervelen; het leest allemaal vlot. Maar veel om het lijf heeft het niet. Een boek voor de liefhebber, waarschijnlijk.



donderdag 7 juni 2012

Commensaal

Het komt niet vaak voor dat ik woorden hoor die ik nooit eerder heb gehoord, maar deze week gebeurde het. Ik keek naar de film Oranje Hein uit 1936. Een van de personages had het over een 'commensalinnetje'. Dat moest wel een vrouwelijke commensaal zijn; ik wist niet dat er zo'n vrouwelijke vorm van het woord was.

Een commensaal is een kostganger. Ik stel mij iemand voor die van iemand een kamer gehuurd heeft, maar die ook de maaltijd geserveerd krijgt. Kost en inwoning dus. De beroemdste commensaal is waarschijnlijk die uit het lied van Drs. P. Aanvankelijk heette dat lied ook 'De commensaal', maar omdat het woord steeds onbekender werd, veranderde de schrijver dat later in 'Het trapportaal'.

Deze commensaal is een merkwaardige kostganger: hij vermoordt vrouwen, die hij dood in het trapportaal laat liggen, zodat iedereen thuis komt 'met rode schoenen'. Het aardige van het lied is de reactie van de huisgenoten. Weliswaar wordt er in het begin van het lied gezegd:
'Je kunt met commensalen veel beleven,
maar zoiets is beslist nog nooit vertoond.'
Maar eigenlijk wordt het vermoorden van jonge dames niet afgekeurd. Moeder zegt dat iedereen zijn eigenaardigheden heeft. Met commensalen heb je altijd wel wat. Vader klaagt over het feit dat het schoonmaken zeep en terpentijn kost en bovendien wordt het gezin in opspraak gebracht in de buurt, waar toch al veel gegiecheld en gegluurd wordt. Daar had de kostganger rekening mee moeten houden:
'Zo'n juffrouw hoort in het kanaal en niet bij ons in 't trapportaal!'
Bij het commensalinnetje uit Oranje Hein moest ik dus meteen denken aan Drs. P.  Maar er zijn meer commensalen. Sterker nog: wij dragen allemaal commensalen bij ons. In de biologie worden bacteriën die leven  van de afvalstoffen aan de buitenkant van onze weefsels (huid, slijmvliezen van de mond enzovoort) commensalen genoemd. Wist ik ook al niet. Een mens blijkt nooit te oud om te leren.


Op het filmpje het eerste televisieoptreden van Drs. P. in 1964, waarin hij 'De commensaal' zingt. In beeld verschijnt 'Het trapportaal', maar het zou kunnen zijn dat dat er later overheen geplakt is. Aan het eind zie je dat dit filmpje opgenomen geweest is in een later tv-programma.

dinsdag 5 juni 2012

Gedicht van Arjan Keene



Op 30 mei publiceerde Arjan Keene op zijn weblog een gedicht, dat ook in Edese Post is gepubliceerd. Als aanleiding noemde hij: Op 23 mei viel er in korte tijd zeer veel water. Verder was het idee voor een recreatieplas in het water gevallen, maar er is ook een visie Ede 2025 in ontwikkeling.




Ede onder water



Heel even had de stad nu een rivier.
Of was het meer een recreatieplas,
dit wassend water? Een veelarmig dier.
De Veluwe werd bijna weer moeras.


Ik hoorde mensen spreken van een zondvloed,
een hand van boven die de hemel brak.
(Ik denk dat warme lucht iets kouds ontmoet;
de wetenschap verklaart met speels gemak.)


Maar toch, wie weet. Misschien was het een teken.
Toch iets met water, het gebrek eraan.
Wellicht moet zo'n idee een tijdje weken,
want dromen moeten bij verstek bestaan.


Contouren van een nieuwe Molengracht,
de Klinkerbrug die op een bootje wacht.


(c) Arjan Keene




In een gedicht over zoveel water is de zin 'Wellicht moet zo'n idee een tijdje weken' wel mooi gevonden, vind ik. 


Arjan Keene