donderdag 24 november 2011

Gedoogde Sinterklaas



Wie door de supermarkt loopt, kan er niet omheen: gevulde speculaas, marsepein, strooigoed, kruidnoten, al dan niet met chocoladejasje, sinten van chocola, letters van chocola, munten van chocola en er is vast nog veel meer lekkers wat je eigenlijk alleen in de laatste twee maanden van het jaar kunt kopen. Inderdaad: de heilige Nicolaas is weer in ons land.

Zoals u weet, is Sinterklaas allochtoon. Onder het huidige kabinet is hij waarschijnlijk de enige allochtoon die met gejuich, applaus en hoempamuziek wordt ingehaald. Het verbaast mij werkelijk dat er nog niet een kamerlid van de PVV-fractie is geweest, die met overslaande stem heeft geprotesteerd tegen het binnenhalen van iemand uit een land in de eurozone dat er economisch niet al te best voor staat en waar wij nu zo onderhand al genoeg stoomboten vol geld naar toe gevaren hebben. En – hierbij zou het kamerlid zijn vinger geheven hebben -  dat zijn echt geen chocolademunten, maar keiharde euro’s, die de hardwerkende Nederlanders met hun eigen eeltige handen hebben verdiend.

Misschien is het protest uitgebleven, omdat Sinterklaas blank is. En een niet-moslim, natuurlijk. Vroeger was de bisschop zelfs zichtbaar katholiek, maar tegenwoordig is het kruis op de mijter vervangen door het gemeentewapen van Amsterdam. Echt nodig was dat niet, want de PVV heeft een behoorlijke aanhang in het Roomse Limburg en daarom zou Wilders toch niet gewaarschuwd hebben tegen de katholificering van Nederland of tegen een tsunami van papisme. Ook voor een kopdozentax voor alle mijterdragers hoeven we niet te vrezen.

Het is duidelijk: de PVV gedoogt niet alleen het kabinet, maar ook Sinterklaas. Dion Graus, de geestelijke en geestige vader van de dierenpolitie en de perspolitie, heeft nog geen voorstel ingediend voor een sintenpolitie, al moet het toch ook hem een doorn in het oog zijn dat iemand een arme schimmel bij nacht en ontij het dak op jaagt. En als het arme beestje niet wil, kan het ook nog een klap met de roe krijgen van de knollenpiet.

Wat de PVV’ers waarschijnlijk wel aanstaat, is dat de witte Sint de baas is over een stel zwarte knechten. Ik neem aan dat zij dat als de natuurlijk orde zullen zien. Een orde die trouwens authentiek Nederlands is, getuige ons koloniale verleden en de afbeeldingen op de gouden koets.

Natuurlijk zijn er mensen die dat willen wegpoetsen en die zeggen dat Zwarte Piet zwart is, doordat hij door de schoorsteen komt. Dat is soft geklets. In de meeste huizen staat al lang geen kachel meer en Piet is nog steeds zwart. Het is dus gewoon een niet-westerse allochtoon.

Maar Zwarte Piet is waarschijnlijk wel zo’n socialistische theedrinker, die het een beetje gezellig wil houden. Er hangen nog genoeg kut-Marokkaantjes rond in Veldhuizen en de Rietkampen en die worden vaak genoeg gewaarschuwd, maar je hoort nooit eens dat rond deze tijd een stel zwarte pieten daadwerkelijk ingrijpt en met de roe zo’n groepje afranselt. En daar is die roe toch voor.

En wanneer hebben we voor het laatst gehoord dat er een paar van die uitvreters in de zak gestopt werden en werden meegenomen naar Spanje? Ik kan het me niet heugen en je kunt dus wel merken uit welke hoek de wind waait: Sinterklaas is bisschop van de linkse kerk. Zijn intocht wordt uitgezonden door de linkse NOS en zijn tabberd is zo rood als de kam van de VARA-haan ooit was.

Er is dus reden genoeg voor de PVV om alle Henken en Ingrids op te roepen om te gaan protesteren tegen deze Nicolaas met het dubbele paspoort; om meteen een wetsvoorstel in te dienen dat de grenzen moet sluiten voor Pietermanknechten die niet geslaagd zijn voor het inburgeringsexamen; om keihard te roepen: ‘Geen cent voor de Sint!’

Maar het gebeurt niet. De PVV breekt in dit geval nergens zijn staf over, geeft niemand de zak, schuift niemand de zwarte piet toe. Wilders vindt het allemaal best.

En ook dat is wel te begrijpen. Sint is immers een allochtoon die uit zichzelf weer uit Nederland verdwijnt. Geert Wilders hoopt stilletjes dat velen een voorbeeld aan hem zullen nemen. En als iedereen wien Neerlands bloed niet door d’aadren vloeit, iedereen van wie het bloed niet van vreemde smetten vrij is, uiteindelijk verdwenen zal zijn, dan knielt Wilders bij zijn schoentje en roept uit: O, kom er eens kijken! Daarna zal hij uit volle borst zingen: Dank u, Sinterklaasje!

zondag 20 november 2011

Grip


Een groep vrienden maakt samen iets mee, ziet elkaar een tijd niet en komt daarna weer bij elkaar. Dat is niet nieuw in de literatuur. Ik denk daarbij aan De weg naar Caviano van Doeschka Meijsing en De dijk waarlangs wij lagen van Fleur Bourgonje. Bij Meijsing zat er vijf jaar tussen de laatste bijeenkomst en de hereniging, bij Fleur Bourgonje dertig.

Nu heeft ook Stephan Enter zo´n roman geschreven: Grip. Hier zijn het bergbeklimmers, die als twintigers een klimtocht in Noorwegen maakten. Twintig jaar later zullen ze elkaar weer treffen, thuis bij twee van de vier, die intussen getrouwd zijn. Het perspectief ligt afwisselend bij drie van de vier bergbeklimmers.

De vrienden (dat is eigenlijk te veel gezegd, maar ik noem ze maar even zo) zijn allemaal kijkers. Als Paul aan Lotte terugdenkt, krijgen we als lezer de beelden die hij bij haar heeft. We zijn haar lange, maar niet bijzonder elegante handen, haar steile donkerblonde haar, haar lach, haar tanden, haar frons. En Paul realiseert zich dat ze soms iets met haar kin deed: ‘Ze trok haar kin met een heerszuchtig rukje scheef, van je weg, en vervolgens kauwde ze op de binnenkant van haar wang.’

Kijken kunnen ze wel, die bergbeklimmers. Maar kennen ze elkaar ook? Uiteindelijk blijkt dat ze geen grip op elkaar hebben, evenmin als op zichzelf en ook helemaal niet op de tijd die maar doorgaat en zich niets aantrekt van de beelden van twintig jaar geleden die je zo zorgvuldig hebt vastgehouden.

Net op de dag dat het viertal weer herenigd zal zijn, staat er in de krant een artikel over onsterfelijkheid: wellicht is het mogelijk dat de wetenschap zo gevorderd is, dat we niet meer hoeven te sterven. Paul en Vincent zijn gefascineerd door het artikel en praten er met elkaar over.

Moet je dat wel willen, onsterfelijk zijn? En wat betekent het voor de religie als mensen een eventueel hiernamaals kunnen ontlopen? Zal er trouwens een tweedeling komen in de wereldbevolking tussen mensen die zich de onsterfelijkheid kunnen permitteren en zij voor wie dat niet is weggelegd?

Wie aan het bergbeklimmen is, moet zich juist zeer bewust zijn van zijn sterfelijkheid. Misschien is het aantrekkelijke van bergbeklimmen wel juist dat je in gevaar verkeert en dat het je leven kan kosten.

Ik aarzel te schrijven dat Enter ‘een ouderwetse roman’ heeft geschreven. Ik bedoel dat namelijk positief, waarbij ‘ouderwets’ staat voor de degelijkheid, het uitgebalanceerde, de verzorgde stijl. Vakwerk, waar je zeer van kunt genieten. Wie van literatuur houdt, moet wel van Enter houden, lijkt me.


(Gepikt van de site van Van Oorschot)


vrijdag 18 november 2011

Stadsdichter (2)

Een man merkt nooit iets, schreef Hans Ree al. Zo was het mij ontgaan dat in Edese Post van 16 november aandacht besteed was aan de mogelijke komst van een stadsdichter. Op 11 november stond het bericht al op internet. Ik knip het artikel even uit en plak het hier neer:

Komst stadsdichter lijkt dichtbij


EDE - Krijgt Ede een stadsdichter? Als het aan de PvdA en Gemeentebelangen ligt wel. Wethouder Van Milligen neemt het idee zeker mee.
Gemeentelogo.
Gemeentelogo

Rotterdam, Breda en Nijmegen hebben een stadsdichter. Den Haag, Den Helder, Hengelo en Emmen hebben een stadsdichter. Amsterdam heeft in de verschillende wijken wel een stuk of vijf stadsdichters. Ede niet. Dat stelde Teunis Bunt tijdens cultureel Café Dante in Cultura. Volgens Bunt is een stadsdichter iemand die een aantal keren per jaar een gedicht schrijft over de actualiteit in de gemeente. ‘‘Het spreekt vanzelf dat de dichter geen politiek moet bedrijven en dat hij mensen niet opzettelijk beledigen mag. Op deze manier wordt een stadsdichter een chroniqueur van de stad. Zijn gedichten worden een alternatief geschiedenisboekje. De stadsdichter kan gedichten op verzoek van de gemeente schrijven, maar natuurlijk ook op eigen initiatief.’’
Veel hoeft een stadsdichter niet te kosten. Bunt: ‘‘Rotterdam betaalt zijn dichter 65.000 euro per jaar en Den Haag 30.000 euro (getallen van drie jaar geleden), maar dat zijn uitzonderingen. In Helmond en Assen betaalt men bijvoorbeeld 5.000 euro per jaar en dat lijkt me voor de gemeente goed te doen.’’
Peter de Pater, fractievoorzitter van Gemeentebelangen sluit zich bij dit bedrag aan. ‘‘De gemeente mag een waarderingssubsidie geven van 5.000 euro.’’ Een zoektocht naar de stadsdichter hoeft er niet te komen. Bunt: ‘‘Ede heeft veel kwalitatief goede dichters binnen de gemeentegrenzen. Mij schieten nu de namen van Henk Knol, Hilbrand Rozema en Mart van der Hiele te binnen, maar er zullen er veel meer zijn.’’ Of wordt Peter de Pater de nieuwe dichter? In de gemeenteraad droeg hij dit gedicht voor:
‘‘Zolang de schelle gong van dorpsheraut in Ede op het plein
wordt overstemd door orgelman en kletsnat dweilorkest.
Zolang zijn wij in node van de dichter op rekwest.
Hij moet ernaast gaan staan: de meester van ‘t refrein.’’


Tsja, Peter de Pater zal het wel goed bedoelen en hij zal ongetwijfeld bijval oogsten als Tante Sjaan en Ome Henk veertig jaar getrouwd zijn, maar bij een stadsdichter stel ik me net iets anders voor.

Maar goed, genoeg gezeurd. Het is mooi dat politici welwillend reageren.

woensdag 16 november 2011

Deerlijk retour/Krombeke retour



















Deerlijk retour/Krombeke retour van Luuk Gruwez zijn twee boeken die met de achterkanten tegen elkaar geplakt lijken, zodat het één boek geworden is, dat je van twee kanten kunt lezen. In het ene boek (over Deerlijk) vertelt Gruwez over zijn voorouders van moeders kant, in het andere (over Krombeke dus) over die van vaders kant.

Het boek is nogal onevenwichtig van opbouw. Naast een verhaal van enkele pagina's is er een dagboek dat bijna de helft van het boek in beslag neemt. Moeders kant krijgt daardoor ook veel meer pagina's dan vaders kant.

Veel van wat in dit boek staat, stond ook al in vorige boeken van Gruwez, die ik overigens niet gelezen heb. Ik herinnerde mij hem alleen als dichter.

Het dagboek over de nadagen van zijn grootouders is fraai. En pijnlijk. Gruwez observeert hun aftakeling en spaart hen daarbij niet. Zichzelf trouwens ook niet. 'Als zij het geluk had een alom vereerd huisdier te zijn - laten wij zeggen: een hond of een kat - dan had zij nu uiteraard allang een spuitje gekregen.'

Verder valt het verhaal 'Fantoomzaad' op, een brief aan Regina, zijn betovergrootmoeder van vaders kant, over wie Gruwez nauwelijks wat weet, zodat hij de lege plekken met zijn verbeelding moet invullen. Ook aan de grootouders van moeders kant (over wie het dagboek gaat) schrijft hij een brief, na hun dood.

Deerlijk retour/Krombeke retour is een persoonlijk boek geworden en ik kan mij goed voorstellen dat Gruwez al die verhalen en levensberichten over zijn familie in één band wilde hebben. Als boek is het misschein niet helemaal geslaagd, maar veel mensen zullen het met empathie lezen, vermoed ik.

dinsdag 15 november 2011

Tuffy heeft haast


Als kind heb ik nooit iets van Jaap ter Haar gelezen. Later las ik wel Boris, dat ik overigens een mooi boek vond, maar daar bleef het dan ook bij. Nu heb ik Tuffy leren kennen.

Jaap ter Haar heeft heel wat boeken geschreven die eigenlijk als hoorspel bedoeld waren en ik heb begrepen dat ook Tuffy aanvankelijk de hoofdrol speelde in een hoorspel. Hij past helemaal in een tijd waarin de radio een modern medium was en waarin ook al voorzichtig de tv opkwam.

Tuffy is zo klein, dat je hem alleen kunt zien door een vergrootglas. Hij draagt een kastje op zijn rug en op zijn borst prijkt een grote T, zoals Superman de S draagt. Als ik het goed begrepen heb, reist Tuffy op geluidsgolven. Hij wekt met zijn kastje een hoge toon op en via die toon reist hij. Ik heb ook ergens gelezen dat hij door kabels kan, maar dat doet hij niet in Tuffy heeft haast.

Dat boek begint met een fietsenstalling bij een stadion, waarin een klein jongetje alle fietsen op slot heeft gezet, zodat iedereen moet zoeken naar zijn sleuteltje. Iedereen loopt een vertraging op. Dat is lastig voor iemand die al voor de voetbalwedstrijd het eten op het gas had gezet. Het was dus nog duidelijk de tijd van ‘slow cooking’, waarin een gerecht gerust enkele uren kon staan pruttelen.

De meeste problemen lost Tuffy op. Dat is niet allemaal even geloofwaardig, maar goed, dat is Tuffy ook al niet. Als je het bestaan voor het mannetje slikt, slik je ook wel andere zaken. Wel verbaasde het mij dat aan het eind van een boek een mol ineens kon praten en ook dat Tuffy met zijn kleine stembandjes wel een flink geluid kan voortbrengen. Maar wellicht versterkt hij zijn stem door het kastje op zijn rug.

Eigenlijk is het boek een verzameling verhaaltjes dat door een dun lijntje bijeen wordt gehouden. Onderhoudend, maar meer ook niet. Het zal in zijn tijd de weg naar de lezer wel hebben gevonden, al had ik nog nooit van Tuffy gehoord. Wel van Saskia en Jeroen en van Ernstjan en Snabbeltje, hoewel ik ook nooit een boek heb gelezen waarin die de hoofdpersoon waren. Wellicht is Tuffy ook in zijn tijd al een van de mindere helden geweest. Toch heeft hij het, getuige de stofomslag, minimaal zes delen volgehouden. Intussen is het stof over Tuffy neergedaald en dat is best.

woensdag 9 november 2011

F. Springer overleden



Al eerder dit jaar ging Hella Haasse de weg van alle vlees. Nu is F. Springer uit de tijd, waarin hij 79 jaar was. Minder groot oeuvre, kleiner publiek, maar wie van zijn boeken houdt, weet dat er veel bij Springer te genieten is. Hij had bijvoorbeeld een heerlijke stijl.

Misschien is zijn verscheiden een aanleiding om Springers boeken te gaan lezen of te gaan herlezen. Weemoed zal zich daarbij over je heen buigen. Het is een zoete pijn.

Lees Quissama en Bougainville, Kandy en Bandoeng-Bandung, Teheran, een zwanezang en dan het boekenweekgeschenk van zijn hand, Sterremeer of Tabee, New York. Er is keus. Zijn laatste boek, Quadriga is waarschijnlijk zijn minste werk, al is het goed dat het verschenen is.

Van mij mag Quissama volgend jaar herdrukt worden bij de actie Nederland leest.

dinsdag 8 november 2011

Che


Sid Jacobson en Ernie Colón kennen we van de getekende biografie van Anne Frank, een aardig boek, beetje houterig getekend. Nu hebben ze zich gewaagd aan de biografie van Che Guevara.

Ook dat is weer een aardig boek, zeker voor lezers die weinig over Che Guevara weten. Niet altijd weet Jacobson de vaart in het boek te houden. Een aantal bladzijden achter elkaar worden bijvoorbeeld zo’n beetje alle landen in Zuid-Amerika ‘behandeld’: Jacobson schetst van elk land een mini-geschiedenis, zonder dat op dat moment duidelijk is wat dat nu met de hoofdpersoon van het boek te maken heeft.

Hoewel ook het persoonlijke leven van Che Guevara wel aan de orde komt, heb je toch het idee dat het hele verhaal behoorlijk afstandelijk wordt verteld. Aan de ene kant is dat goed, omdat het boek op deze manier zakelijk blijft, maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat er meer te halen geweest was uit de vorm.

De plaatjes zijn meestal alleen maar illustratie bij de tekst en geven nauwelijks informatie die niet ook al in de tekst staat. Dat maakt Che tot niet meer dan een aardig boek. Wie wil weten hoe zo’n soort boek beter kan, hoeft alleen maar de biografie van Fidel Castro te lezen, zoals Reinhard Kleist die getekend en geschreven heeft. Dat niveau halen Jacobson en Colón niet.

Bittere bloemen



Wat Jeroen Brouwers schrijft, lees ik altijd met plezier, of het nu zijn polemieken zijn of zijn romans of zijn necrologieën of wat dan ook. Natuurlijk is het ene boek geslaagder dan het andere, maar altijd weer neemt zijn stijl mij mee en wil ik alleen maar verder lezen tot het boek uit is. Dat overkwam mij ook bij Bittere bloemen.

Wel moet me van het hart dat het boek slordig geredigeerd is. Ik las de volgende zinsneden: ‘iets beangstigends, hij weet niet waarvoor’; ‘Niet van plan zijn pas te versnellen, vond er […] een explosie plaats’; ‘De werkster tastte deze op’; ‘je wil’; ‘de heuvel afrazen’. Een schrijver als Brouwers verdient een redacteur die dit soort fouten niet laat zitten.

Het verhaal is redelijk eenvoudig na te vertellen, al gaat het bij Brouwers nooit om enkel het verhaal en al is het verhaal eigenlijk niet te scheiden van de manier waarop het verteld wordt. De bejaarde Julius Hammer (oud-rechter, oud-senator, schrijver) maakt een cruise over de Middellandse Zee, zeer tegen zijn zin. Op het schip blijkt ook een jonge vrouw te zijn, Pearlene (Leentje), die Hammer zich nog herinnert van een schrijfcursus die hij ooit gaf.

Op bladzijde 88 staat dat Hammer toen ‘pas ergens over de helft van zestig’ was, toen hij de cursus gaf, wat niet kan kloppen. Ook hier had de redacteur zijn ogen niet open. De schrijfsels van Leentje stelden niet veel voor, maar Hammer viel indertijd al als blok voor haar.

Nu, oud, zwak van gezondheid, heeft Hammer in haar iemand die hem opvangt, als zijn lichaam niet meer wil. Met zeer warme gevoelens denkt Hammer aan haar, haar dusdanig idealiserend dat je al wel voelt aankomen dat het op een teleurstelling moet uitlopen. En dat gebeurt.

Brouwers vlecht allerlei tegenstellingen in het boek: de jonge Pearlene/de oude Hammer, de lieftallige Pearlene/Hammers drammerige dochter, de successen van Hammer/zijn gevoel van misluktheid. Ach, bij Brouwers zit het met de structuur altijd wel snor.

In dit boek geeft hij een prachtig beeld van de lichamelijke aftakeling van Hammer, zonder dat hij Hammer zielig laat worden. Als lezer wil je dat het goed komt met de oude Julius en tegelijkertijd weet je wel dat dat er niet in zit.

Tijdens het lezen resoneerden er andere Brouwersboeken in mijn hoofd. Winterlicht bijvoorbeeld, met daarin de schrijver Jacob Voorland, die ook al op leeftijd was en die ook op weg was naar een vrouw, wat op een teleurstelling uitliep. Later bleek dat Brouwers daarbij de uitgever Geert van Oorschot in gedachten had gehad. Maar ook moest ik denken aan Zonsopgangen boven zee, waarin de hoofdpersoon ook het meidertje waarmee hij zijn tijd door moet brengen aanbidt en idealiseert, althans in mijn herinnering. Zelfs de lemniscaat, die een leidmotief in dat boek is, duikt een keer op in Bittere bloemen.

Julius Hammer is de hoofdpersoon, maar hij is niet de verteller. Brouwers heeft gekozen voor een alwetende verteller en dat zie je niet zoveel meer tegenwoordig. Vaak is die verteller op de achtergrond en merk je niet veel van hem, maar soms is hij er ineens. Al in het begin van het boek (blz. 40) lezen we: ‘Het is dat hij zijn oogleden niet van elkaar krijgt […] anders zou hij zien dat ze haar blik abrupt afwendt.’

Soms gaat de verteller nadrukkelijk aan de kant van de lezer staan: ‘Tranen in zijn ogen, zijn ogen, Hammers ogen? Wij geloven de onze niet, bist du ein Weib geworden, Sjül?’

En altijd zijn er weer woorden en zinnen en vergelijkingen die alleen Brouwers kan maken en die soms ook ongemeen grappig zijn: ‘een niet precies te definiëren, toch opdringerige vrouwengeur, ongeveer zoals kippen ruiken als ze zijn natgeregend.’

Jacob Cats zou zeggen: ‘Wat dient er meer gezeid?’ Niets. Lezen, dat boek! Als je van Brouwers houdt. En anders ook.  

zondag 6 november 2011

Het lege nest

Sigmund kennen we wel: dat is die psychiater die zich schaamteloos vermaakt ten koste van zijn patiënten; die soms ronduit sarcastisch is en die je af en toe ook een beetje zielig kunt vinden, wat ook weer grappig is.

Peter de Wit is de geestelijke vader van Sigmund. In Het lege nest raadpleegt Ben dokter Sigmund. Ben lijkt wel erg op Peter de Wit. Bovendien is Sigmund tegenover hem vriendelijk en behulpzaam.

Ben heeft last van het lege-nest-syndroom: de kinderen zijn het huis uit en hij mist ze. Zonder ironie wordt het probleem gesteld en je hebt als lezer ook helemaal niet de neiging om te lachen om Ben. Je voelt je bij hem betrokken en je hoopt dat hij zich over het lege gevoel heen kan zetten.

Het lege nest is bescheiden van opzet, maar in de nog geen honderd paginaatjes beschrijft De Wit prima het probleem en het verhaal zakt nergens in. Al met al is het een heel aardig boek geworden, over een onderwerp waarover ik nog niet eerder een strip had gelezen.

Hoe dicht Peter de Wit bij huis is gebleven, zie je ook op de website, waarop filmpjes staan met Peter de Wit in de hoofdrol. De filmpjes eindigen met een plaatje uit het boek.

donderdag 3 november 2011

Het leven is vurrukkulluk



Zoals iedereen heb ik meer boeken niet gelezen dan wel. Maar ik heb ook een stel klassiekers uit de Nederlandse literatuur niet gelezen. Tot voor kort behoorde daar ook Het leven is vurrukkulluk toe.

Campert is een heerlijke schrijver en een prachtige dichter. Maar eerlijk gezegd viel het boekje dat nu verspreid is omdat ‘Nederland leest’ me wel wat tegen. Ik vond het wat onevenwichtig.

Zo komen er in het begin van het boek veel opmerkelijk gespelde woorden voor (Marie Johanna, Tsjoe-Win-k’um, rokkenrollen), maar verderop niet meer. Na een hoofdstuk of vijf, zes ging het tempo een beetje uit het verhaal en later kwam het weer terug. En in zijn geheel vond ik het boekje niet zoveel voorstellen.

Goed in zijn tijd mag het bijzonder geweest zijn en het is nog steeds heel aardig, maar stiekem had ik er meer van verwacht. Wel zijn er van tijd tot tijd zinnen die oplichten, zinnen die laten zien hoe goed Camperts stijl is.

Een voorbeeld: ‘De hitte bleef achter, broeierig als dikke en te lang gedragen kleren.’ Daar moeten we het dan maar mee doen.

woensdag 2 november 2011

Huid en haar


Arnon Grunberg is een auteur wiens boeken gemakkelijk lezen: er sijpelt altijd wel ironie tussen de zinnen door, er staan veel dialogen in en je leest over mensen met wie je mee kunt leven, ook als je je niet in hen herkent. Aardige verhaaltjes, die niet vies zijn van het absurde, die net een stap verder gaan dan je prettig vindt.

Maar de boeken van Grunberg zijn meer. Onder de ‘verhaaltjes’ zit een ernstige laag. Die ernst blijft als een steen op je maag liggen wanneer je het boek uit hebt. Dat gebeurde mij in ieder geval bij Huid en haar.

De centrale figuur in deze roman is de econoom Roland Oberstein. In de economie draait het om schaarste, zegt Oberstein. ‘En wat brengt die schaarste voort, wat heeft die schaarste ten gevolge? Vraag en aanbod. Je moet het zien als een spel. Handel is spelen. Ik ben gekomen om te handelen.’

Oberstein bekijkt het leven, de liefde, de holocaust zelfs, met de ogen van een econoom. Alles is handel, alles is spel. En dan niet een spel waardoor je je mee laat slepen, maar een dat je kunt spelen met in je achterhoofd de gedachte ‘Het is maar een spelletje’.

Naast Roland zijn er nog allerlei andere figuren in het boek, die richtingloos lijken of een nieuwe richting lijken te vinden, zoals de man van Lea, die verliefd wordt op de bezorger van UPS en hem tot seks dwingt, hem voorhoudend dat hij op die manier een ‘Green Card’ kan verdienen. Voor wat hoort wat, nietwaar.

In verschillende passages is Huid en haar een onverdraaglijk boek. Misschien wel omdat het ten dele waar is. Het ontkent de onbaatzuchtigheid, de belangeloze liefde. Ik wil niet zeggen dat Grunberg die ontkent, maar in zijn boek laat hij zien hoe de wereld eruitziet, als alleen de economische wetten gelden. Dat is niet bepaald een pretje.

Als je het leven als een spelletje ervaart, kun je je er niet echt betrokken bij voelen. Roland heeft sowieso moeite om ergens met emotie op te reageren. Als zijn vriendin vreemdgaat, voelt hij niets en als een vriendin sms’t dat haar man haar verkracht heeft, sms’t hij terug dat hij haar kokos-ijs erg lekker vond. Misschien is dat niet zo vreemd voor iemand die denkt dat empathie niet meer betekent dan dat je andere woorden kiest.

Als de markt regeert, houden de ideologieën op. Roland zegt van zichzelf dat hij als wetenschapper boven de partijen staat. ‘Ik kan me niet voorstellen dat je een serieuze wetenschapper bent en er in je vrije tijd ook nog een ideologie op na houdt. Je wetenschappelijke arbeid moet daar wel onder te lijden hebben.’

We leven in een maatschappij waarin de populistische partijen hoog scoren in de peilingen, waarin de traditionele partijen hun ideologische veren verloren hebben en waarin vooral kwantiteit lijkt te tellen (hoeveel zetels hebben we in de nieuwste peilingen). Huid en haar laat zien hoe beroerd zo’n maatschappij is.

Magnetofoon




Er zijn weken bij dat het woord ‘bandrecorder’ niet in mijn gedachten komt en dat ik dus ook niet aan het ding terug moet denken. Maar nu moet ik het er even over hebben.

In mijn middelbare-schooltijd stond er in elk talenlokaal een bandrecorder, waarop wij zinnen in Frans, Duits en Engels hoorden, die wij moesten nazeggen. Later kregen we hele verhalen te horen in talen die heel anders waren dan het Betuws dat wij van huis uit spraken.

Nog steeds kan ik me moeiteloos het wat ritselende geluid herinneren dat er klonk wanneer een spoel helemaal leeg was en het uiteinde van de band nog even meegeslingerd werd door de andere spoel.

Dat missen de kindertjes van nu, merkte ik toen ik de uitzending van De andere wereld van afgelopen zondag beluisterde. Daarin gingen leerlingen van het Comenius College de wijk Slotervaart in om te praten met wijkbewoners. Een oude dame legde aan de leerlingen uit wat toch dat apparaat was dat zij in haar kamer had staan. Inderdaad, een bandrecorder.

Op dezelfde zondag werd het programma OVT uitgezonden, waarin een stukje te horen was van een verslag van het proces rond Adolf Eichmann in 1961. De verslaggever vertelde onder andere over een hoeveelheid ‘magnetofoonbanden’.

Magnetofoon – dat woord kende ik alleen in het Frans. Blijkbaar werd het in het Nederlands ook gebruikt. Nooit geweten. Tot nu.